Benedictijnen op Slangenburg
Komst in Doetinchem
Vanuit de Oosterhoutse St.-Paulusabdij, waar in het begin van de 20ste eeuw het benedictijns leven in Nederland weer is begonnen, trekt een groep paters en fraters in oktober 1945 naar Gelderland. Wel enigszins argwanend bekeken door de Achterhoekers, want de kroniekschrijver van de latere St.-Willibrordsabdij schrijft: ‘Ons pittoreske gezelschap trekt nogal de aandacht en menig uitgestreken calvinisten gezicht krijgt een uitdrukking van grenzenloze verbazing’.
De monniken nemen hun intrek in het kasteel Slangenburg, dat in beslaggenomen is van de Duitse familie Passmann.
Het huis wordt ingezegend door de abt van Oosterhout en zo begint het monastieke leven van de benedictijnen (O.S.B.: Ordo Sancti Benediti), de oudste orde van de westerse kerk, in Gelderland.
Kasteel Slangenburg
Het kasteel wordt zo goed en zo kwaad als het gaat ingericht met de aanwezige en meegebrachte spullen. De grote zaal is nu kapel en antieke stoelen worden koorbanken.
Het buitengewone programma van schilderingen en schilderijen uit de 17de eeuw van de schilder Gerard Hoet met vele mythologische voorstellingen verbergt men achter bordpapier en gordijnen. Een opvallende Italiaanse tuinvaas met schaars geklede bosnimfen en saters wordt verbannen en door zes sterke boeren naar de oostelijke toren gedragen. Op de sokkel komt een Benedictusbeeld.
Grotere kamers en zalen worden met schotten in cellen verdeeld en aan de achterzijde komt een brug naar het park, ongewone werkzaamheden, waarbij de langste pater in de gracht terecht komt om de constructie te redden.
Het eerste vervoermiddel, waarmee de monniken de verbinding naar Doetinchem onderhouden is een oude fiets met houten banden, die ‘rammelt als een Shermantank’.
Voor de muzikale begeleiding is er een harmonium, waarbij een motor voor de luchttoevoer zorgt met zoveel lawaai, dat het lijkt alsof er ‘een stoomfiets in de kerk staat’.
Kloosterleven op het kasteel
Al gauw neemt het kloosterleven zijn gewone gang met de strakke gebedsindeling van metten, lauden, prime, terts, hoogmis, sext, none, vespers en completen, waarin de monniken opgaan in hun biddend en beschouwend leven.
Een bijzondere gebeurtenis is het verkrijgen vanuit Roermond van een reliek van Benedictus, een stuk uit de rechter bovenarm. Met veel eerbied wordt deze ingehaald op 28 september 1946.
Het dagelijkse leven is sober, al weet pater Hoppenbrouwers (What ’s in a name) bier te brouwen met een laag alcoholpercentage. Het is eten wat de pot schaft of wat voorradig is.
In 1947 is er een overvloedige appeloogst en op het menu staan dan: appelpannenkoek, brood met appelstroop, appel verwerkt in het nagerecht en appelcider om bij de maaltijd te drinken.
Als er iets heel feestelijks is drinken de monniken wel eens een klein glaasje Benedictinelikeur.
Koop van het kasteel?
Pater Van den Biesen, die de economische leiding van de vestiging heeft, probeert nu het kasteel en een deel van het landgoed te kopen, waarbij hij in vele kringen ondersteuning krijgt, maar dat gaat ook velen, w.o. de Nederlandse Kastelenstichting te ver.
Uiteindelijk wordt met steun van de moederabdij in Oosterhout ruim 60 ha in een hoek van het landgoed gekocht, waar een nieuwe abdij zal verrijzen.
De bouw van de St.-Willibrordsabdij 1948-1952
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog is de wederopbouw van fabrieken en woningen van groter belang, dan het realiseren van een klooster. Toch komt de toestemming, maar bouwmateriaal is moeilijk te vinden. Pater Van den Biesen, als grote regisseur voor de bouw, heel inventief, weet afgekeurde spullen te vinden, die toch geschikt zijn voor zijn plannen:
Afval van de Hembrug, verwrongen staven ijzer, afgekeurde straatstenen en puin van gebombardeerde steden.
Met dit puin wordt de toegangsweg verhard en op ingenieuze wijze het ijzer rechtgebogen om als betonijzer te dienen. Ondertussen krijgen de monniken metselles in de kasteelkelder.
Het ontwerp in neo-romaanse stijl van het gebouw is van de vader van de prior Dom Tholens met hulp van de architect Valk en in de zomer van 1948 nemen de monniken de zware werkzaamheden ter hand in een speciaal schema van werken en eredienst. Ze zijn gekleed in een door henzelf ontworpen werkscapulier met kap.
Het uitgraven van de kelder is een groot werk, zodat de verzuchting geslaakt wordt, dat ‘veroveren van ruimte in de grond zwaarder is dan de verovering van bovengrondse delen van het huis in de lucht’.
Grote hoeveelheden bouwmateriaal zijn nodig: 50.000 kloostermoppen, 120.000 perforastenen (holle bouwsteen), ijzeren staven voor vloeren en daken en 220.000 andere stenen voor de binnenmuren.
Op 30 april 1949 wordt de eerste steen gelegd door de abt van Oosterhout: In Petra stabilitus non concutior (op de rots gegrondvest sta ik pal), het hoogste punt wordt bereikt op 18 april 1950 (geen pannenbier voor de monniken, maar chocolademelk), maar het zal tot de herfst van 1952 duren, voordat de bouw geheel is afgerond. Vooral de perforabouw: vloeren en daken van gemetselde holle stenen (houten planken en balken waren schaars) heeft veel voeten in aarde gehad.
Het echte kloosterleven begint
Op 12 oktober 1952 vindt de wijding van de kerk plaats door mgr. Alfrink.
‘Het povere mensenwerk in specie en steen wordt door de wijding omgezet in een werktuig van Gods genade’.
Er is de mis van de wijding, de processie met relieken rond de kerk, een feeststoet in stralende zonneschijn.
Er komen vele hoogwaardigheidsbekleders, maar ook het gewone publiek komt naar het klooster om dit te bezichtigen, voordat het kloosterslot ingaat.
In het begin een priorij, in de loop van de jaren groeit dit klooster uit met een eigen noviciaat in 1953 en op 5 juni 1954 is de verheffing tot abdij een feit. Dom Tholens wordt daarna in Arnhem tot abt gewijd.
Werkzaamheden in en rond de abdij
De paters arriveren in 1945 met een varken en twee kippen. De abdijboerderij groeit later uit tot tientallen stuks vee, melkkoeien, vaarzen, pinken, kalveren en stieren.
Er worden belangrijke prijzen gewonnen op veetentoonstellingen. Verder vindt men dan naast de landbouwwerkzaamheden, de verzorging van tweehonderd varkens en honderden kippen.
Voor documentatiewerk is een belangrijk microfoto-atelier in bedrijf, dat opdrachten krijgt van vele kanten.
De eenvoudige kleermakerij groeit uit tot een paramentenatelier, waar kerkelijke kleding wordt gemaakt, ook voor de protestantse kerken. Beroemd wordt de beeldhouwer Henri Boelaars, die heiligenbeelden snijdt in eikenhout, maar later ook prachtige, goedgelijkende portretten maakt in brons van bekende figuren, zoals koningin Juliana en paus Johannes XXIII. Beroemd zijn ook zijn gevoelige kinderportretten.
Feestelijkheden zijn er het hele jaar door, waarbij natuurlijk de Kersttijd en Pasen het hoogtepunt van het jaar vormen. Soms is er een feestelijk etentje, waarbij ‘twee veelbelovende wijnglazen in even zovele glazen wijn veranderen’.
Muziek wordt er ook gemaakt: een tweetal paters met viool en cello ‘spelen getweeën een trio van Haydn’.
En nu
Door veranderende omstandigheden zijn de bovengenoemde werkzaamheden afgebouwd en is gezocht naar andere mogelijkheden. De abdij ontvangt nu vooral gasten, waarbij gebruik gemaakt kan worden van het in de vroegere stallen gevestigde stiltecentrum. Er zijn vele mogelijkheden om met kleinere of grotere groepen een conferentie te houden, te mediteren of op andere wijze voor korte of langere tijd even afstand te nemen van het vaak hectische, veeleisende dagelijkse leven. De vraag naar een verblijf is erg groot. De abdij is voor veel mensen een oase. Jaarlijks bezoeken zo’n 10.000 gasten de abdij, stiltecentrum en/of de gebedsdiensten van de monniken. Mensen van buiten kunnen alle diensten bijwonen en kunnen desgewenst raad en steun vragen in een gesprek met een monnik.
De monniken behouden als hoofddoel het persoonlijk beschouwend leven rond de eredienst in het kerkgebouw, waar de liturgie gezamenlijk gevierd wordt in lezingendienst (6.15 uur); lauden (7.30 uur); Eucharistie (9.30 uur); middaggebed (12.15 uur); vespers (17.00 uur) en completen (20.30 uur). Daarnaast besteden zij hun tijd aan geestelijke lezing en studie en aan de noodzakelijke werkzaamheden voor het onderhoud van de gebouwen en terreinen. Een boekbinderij is ingericht om in de toekomst mede te kunnen voorzien in het levensonderhoud van de monniken.
Voor de Tweede Wereldoorlog bloeide het kloosterleven zodanig, dat vanuit Oosterhout in Egmond, Slangenburg en Vaals nieuwe kloosters werden gesticht. Doordat jongeren andere prioriteiten hebben is het aantal kloosterlingen teruggelopen.
Met kleine aanpassingen blijft de beproefde vorm van een Benedictijnse kloostergemeenschap rond de eredienst in de St.-Willibrordsabdij in stand met de hoop en verwachting, dat er ook bij nieuwe generaties weer belangstelling zal groeien voor deze contemplatieve levensvorm en uit deze waarden eens een nieuwe lente zal opbloeien.
Tekst: Jan Berends. Fotografie: Jan Lieftink.
Verhalen van bezoekers
Uw verhaal plaatsen
Audiofragment
Film
Foto
Boek
Benedictijnen op Slangenburg, Jan Berends, Jan Bik, Henri Boelaars O.S.B., vijfde druk, 2007
Slangenburg Huis, landgoed en bewoners, Jan Berends eindredactie e.a.: vijfde druk, Deutekom, 2008.
‘Latijns’ in de Achterhoek, Jan Berends, Deutekom, 2007






