Verborgen militair erfgoed: sporen uit de Tweede Wereldoorlog in het landschap
De provincie Gelderland is zwaar getroffen tijdens de Tweede Wereldoorlog. In september 1944 speelde een van de grootste luchtlandingsoperaties uit de oorlog, operatie Market Garden, zich voor een groot deel af op Gelders grondgebied. Ook de laatste fase van de bevrijding van West-Europa werd in februari 1945 vanuit Gelderland ingezet met de operatie Veritable.
Hoe belangrijk dit oorlogsverleden tegenwoordig nog wordt gevonden, blijkt onder meer uit de Lonely Planet (editie 2004), die voor Gelderland naast de Hoge Veluwe en de Vierdaagse van Nijmegen als derde highlight vermeldt: 'paying your respect to the liberators of the Dutch in Gelderland's war cemeteries and memorials'. De regio Arnhem-Nijmegen staat inderdaad vol gedenktekens ter nagedachtenis aan de velen die tijdens de oorlog hun leven lieten. Behalve deze monumenten die na de oorlog zijn opgericht, is er een groot aantal andere monumenten dat doorgaans veel minder aandacht krijgt: de terreinen met authentieke sporen van de oorlog zelf. Dit artikel richt zich op die sporen in het landschap en geeft aan hoe met die sporen zou moeten worden omgegaan.
Sporen in het landschap
De Tweede Wereldoorlog heeft in het landschap diepe sporen nagelaten. Meest zichtbaar zijn resten van bouwwerken, zoals Nederlandse kazematten in de IJssellinie en Duitse gebouwen op vliegveld Deelen. Daarnaast is er een groot aantal andere sporen, zoals oorlogsschade aan bomen en gebouwen en resten van geschutsstellingen, loopgraven en schuttersputten. De in het landschap zichtbare sporen vormen als relicten een tastbare herinnering aan de oorlog. Een groot deel van de sporen ligt echter onzichtbaar verborgen in de bodem, bijvoorbeeld in de vorm van uitrustingstukken die zijn achtergelaten in stellingen. De onder- en bovengrondse sporen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden; zo kunnen kazematten niet los worden gezien van de loopgraven waardoor ze waren verbonden. De zichtbare en onzichtbare sporen in het landschap kunnen worden gerekend tot het erfgoed van de oorlog en dienen ook als zodanig te worden behandeld.
In de bodem bewaard gebleven resten worden door archeologen aangeduid als het bodemarchief. Het bodemarchief en historische bronnen zijn verschillende soorten bronnenmateriaal met hun eigen mogelijkheden en beperkingen. Bodemvondsten kunnen een bevestiging bieden van op historische bronnen gebaseerde veronderstellingen, andersom kunnen bodemvondsten ook richting geven aan historisch onderzoek. Zo leidde de vondst van een naamplaatje in een Duitse stelling tot het verhaal van een veteraan. Bijzondere meerwaarde van het bodemarchief is dat het in tegenstelling tot andere historische bronnen zoals foto's en (ooggetuigen-)verslagen bestaat uit neutrale en objectieve gegevens. Daarnaast bevat het bodemarchief gegevens van gebeurtenissen die niet zijn vastgelegd op foto, film of schrift. Onderzoek van de fysieke resten kan dan ook aanvullende gegevens opleveren ten opzichte van historisch onderzoek. Behoud van deze authentieke sporen is bovendien van belang voor het zichtbaar en beleefbaar maken van de gebeurtenissen die zich in de Tweede Wereldoorlog op een bepaalde plaats hebben afgespeeld. Denk aan de onlangs geopende Liberation Route, waarlangs in het voetspoor van de bevrijders op 23 historische plekken ooggetuigenverslagen kunnen worden beluisterd (www.liberationroute.com).
De praktijk
Hoe wordt in de praktijk omgegaan met deze sporen? Bij archeologisch onderzoek in de regio Arnhem-Nijmegen worden regelmatig resten uit de oorlog blootgelegd. In het gebied van de Arnhemse nieuwbouwwijk Schuytgraaf is zowel tijdens de operatie Market Garden als bij de bevrijding zwaar gevochten. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden is de bodem door een civiele aannemer onderzocht op explosieven, die vervolgens zijn vernietigd. Hier zijn onder andere resten geborgen van een Duits jachtvliegtuig, Focke Wulf 190, en verder kleine en grotere wapens, vliegtuigraketten en zo'n vijfduizend granaten. Behalve munitie zijn bij de explosievenopruiming ook veel uitrustingsstukken en persoonlijke bezittingen gevonden. Het jaarverslag 2003 van de Stichting Airborne Museum vermeldt dat tijdens werkzaamheden in Schuytgraaf diverse stukken militair materiaal werden gevonden afkomstig van zowel Poolse, Britse, Amerikaanse als Duitse troepen, waarvan het museum enkele stukken kreeg waaronder bevoorradingscontainers, delen van kooien waarin motorfietsen werden gedropt, diverse helmen en een veldtelefoon. Dit is echter maar een zeer beperkt deel van de aangetroffen vondsten. In Schuytgraaf was er zoveel belangstelling van illegale zoekers, dat een beveiligingsbedrijf verschillende keren de politie moest waarschuwen en zoekers heeft laten aanhouden.
In Schuytgraaf is bij archeologisch onderzoek van prehistorische vindplaatsen bij het gehucht De Laar ook materiaal uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen dat deels is onderzocht, waaronder uitrustingstukken uit een Duitse schuttersput. De archeologen moesten helaas concluderen: 'Op een opgraving waarbij alle beschikbare middelen ingezet worden om juist de vroegste bewoningssporen, grafvelden en crematieresten correct op te graven, krijgt het voorkomen van oorlogssporen uit de nieuwe tijd niet de aandacht die het verdient.' In de nieuwbouwwijk komt een monument ter herinnering aan de luchtlandingen. De informatie die over die landingen uit de bodem had kunnen worden gehaald, is echter grotendeels verloren gegaan, op een aantal museumstukken na en een hoofdstuk in een archeologisch rapport. De rest is verdwenen, in de collectie van 'liefhebbers' of met de explosievenruiming.
Kennis
Vanuit de wetenschap dat Schuytgraaf in een gebied ligt waar tijdens operatie Market Garden zwaar is gevochten, is de opbrengst van de opgravingen bijzonder mager wat betreft oorlogsmateriaal. Dit geldt ook voor het grootschalige archeologisch onderzoek in het Nijmeegse uitbreidingsgebied Waalsprong. Hier is eveneens zwaar gevochten en toch hebben de opgravingen niet meer opgeleverd dan één mogelijke Britse geschutsstelling in Oosterhout. Dat de opbrengst zo mager is, komt omdat in beide gebieden niet gericht onderzoek is gedaan naar sporen uit de Tweede Wereldoorlog. Het betrof opgravingen van oudere vindplaatsen, zo lag de Britse stelling in een vindplaats uit de achtste eeuw voor Christus. De bij opgravingen aangetroffen oorlogssporen zijn in feite bijzaak. Anders dan vroeger worden ze gelukkig wel net als andere archeologische sporen gedocumenteerd. Vaak missen archeologen echter de specifieke kennis om aangetroffen sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog juist te kunnen duiden.
Deze kennis is wel volop aanwezig bij de velen die zich in hun vrije tijd bezig houden met de Tweede Wereldoorlog, soms in georganiseerd verband, maar meestal op individuele basis. Door particulieren wordt ook gericht onderzoek gedaan, zoals op een terrein voor wapendroppings, of naar de resten van de Duitse radiopeilstations Teerose in de omgeving van vliegveld Deelen (zie het artikel van Timmerman en Kok elders in dit tijdschrift). Deze onderzoeken leveren interessante vondsten op, maar hadden met een archeologische werkwijze nog meer informatie kunnen bieden. Bovendien is het doen van opgravingen door particulieren in strijd met de Monumentenwet. Zowel archeologen als de particuliere onderzoekers zouden daarom zeer zijn gebaat bij nauwe samenwerking en uitwisseling van kennis en ervaring.
Nieuwe kansen
Met de inwerkingtreding van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn gemeenten sinds 1 september 2007 verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met bekende en verwachte archeologische vindplaatsen. Sporen uit de Tweede Wereldoorlog kunnen worden gezien als archeologische vindplaatsen, maar blijven vaak nog buiten beeld omdat archeologen de kennis missen over de aanwezigheid en/of betekenis van die sporen. Dit betekent dat bij nieuwbouwplannen veel sporen nog steeds ongezien kunnen verdwijnen. De archeologische beleidskaarten die nu door veel gemeenten worden opgesteld, bieden een uitgelezen kans om het (ondergronds) militair erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog op de kaart te zetten en beschermende maatregelen vast te leggen.
Sporen uit de Tweede Wereldoorlog zouden vanzelfsprekend deel uit moeten maken van het voor onroerend erfgoed gangbare proces van inventarisatie-waardering-selectie, zodat een weloverwogen keuze kan worden gemaakt voor behoud, onderzoek of verloren laten gaan.
De terechte vraag is of alle resten uit de Tweede Wereldoorlog de moeite van het behouden dan wel onderzoeken waard zijn. Die vraag kan echter pas worden beantwoord als die resten in kaart zijn gebracht en de waarde ervan is bepaald. De realiteit is vooralsnog dat de vraag nu in het geheel niet wordt gesteld en dat resten ongezien verdwijnen.
Ook in gebieden waar geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, zijn aanvullende maatregelen gewenst om erfgoed uit de oorlog veilig te stellen. In natuurgebieden waar veel sporen bewaard zijn gebleven, kan niet alleen natuurontwikkeling, maar ook regulier (bos)beheer een bedreiging vormen. Onbekendheid bij terreineigenaren en beheerders is hier mede debet aan. Een beheerder die niet bekend is met de aanwezigheid van dergelijke sporen kan echter weinig worden verweten. Net als grafheuvels en ander archeologische elementen zouden ook geschutsstellingen en andere oorlogsrelicten moeten worden opgenomen in beheerplannen van terreineigenaren.
Voor het veilig stellen van oorlogssporen in het landschap is de belangrijkste opgave dus de bekende sporen in kaart te brengen. Een mooi voorbeeld is de digitale kaart met sporen in de provincie Drenthe: www.sporenvandeoorlog.nl. Voor gebieden waarover nog weinig bekend is, zouden in het kader van planvorming gericht inventarisaties moeten worden uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn per definitie interdisciplinair en moeten tot stand komen in nauwe samenwerking tussen enerzijds professionals zoals archeologen, historisch geografen en historici en anderzijds particulieren met kennis van zaken. Essentieel is dat de kennis van (amateur-)historici over de ligging van sporen uit de Tweede Wereldoorlog beschikbaar komt aan plannenmakers, terreinbeheerders en onderzoekers.
Tot besluit
Hoe ver gaat de betekenis van in steen gebeitelde woorden als 'their name liveth for evermore'? Op het moment dat terreinen op de schop gaan waar de strijders hebben gevochten en hun leven hebben gelaten, lijken deze woorden maar al te vaak te worden vergeten. Dit leidt ertoe dat de authentieke sporen in het landschap in hoog tempo verdwijnen en plaats maken voor monumenten en gedenktekens. Het is dan ook de hoogste tijd dat het verborgen erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog de aandacht krijgt die het verdient.
Met dank aan Peter van den Broeke (gemeente Nijmegen), Martijn Defilet (gemeente Arnhem) en Hans Timmerman (de Gelderland Bibliotheek) voor hun commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
Ruurd Kok (1969) werkt als provinciaal archeoloog van Utrecht en publiceert daarnaast over (sporen van) de Tweede Wereldoorlog in het algemeen en de Slag om Arnhem in het bijzonder.
Noten
1 Dit artikel is deels gebaseerd op de lezing die de auteur op 11 september 2008 heeft gehouden op de Gelderse Erfgoeddag.
2 Het programma Erfgoed van de Oorlog (2007-2009) van het Ministerie van VWS richt zich ook op 'sporen in het landschap die aan gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog herinneren'; in kader van dit programma wordt ruim 21 miljoen euro beschikbaar gesteld voor behoud en digitaal toegankelijk maken van materiaal uit de Tweede Wereldoorlog; zie http://www.minvws.nl/dossiers/erfgoed-van-de-oorlog/. Stichting Gelders Erfgoed neemt hieraan deel met enkele andere leden van het Gelders Erfgoed Platform.
3 Het rapport van het archeologisch onderzoek in Schuytgraaf is in voorbereiding; het citaat is afkomstig uit de conceptversie die ter beschikking is gesteld door voormalig gemeentelijk archeoloog Mieke Smit.
Literatuur
P. van den Broeke, Vindplaatsen in vogelvlucht. Beknopt overzicht van het archeologisch onderzoek in de Waalsprong 1996-2001. Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie (Archeologische berichten Nijmegen – Rapport 1) 2002.
R.S. Kok, 'Verantwoorde metaaldetectie op slagvelden uit de Tweede Wereldoorlog in Nederland; een illusie?', Detector Magazine 97, 2008 pp. 7-11.
R. Markus, 'Een afwerpterrein op de Veluwe', Nieuwsbrief Stichting Dutch Aircraft Examination Group 9.31, 1998, pp. 5-8.
R. van Otterloo, 'Een scheerkwast voor op 't slagveld', De Gelderlander, 25 september 2003.
H. Timmerman, 'Een bijzondere vondst in "Jägerleitstellung" Teerose II', Nieuwsbrief Stichting Dutch Aircraft Examination Group 7.23, 1996.
H. Timmerman, 'Een Unteroffizier in "Jägerleitstellung" Teerose II: het verhaal van Rolf Schrader', Nieuwsbrief Stichting Dutch Aircraft Examination Group 8.24, 1997.
Dit artikel is gebaseerd op een lezing die de auteur hield op de Gelderse Erfgoeddag, 11 september 2008. Het is eerder gepubliceerd in het tijdschrift Gelders Erfgoed 2008-4.
Verhalen van bezoekers
Uw verhaal plaatsen
Audiofragment
Film
Foto
Zie_ook
Boek
artikel van R. Markus dat verscheen in Nieuwsbrief Stichting Dutch Aircraft Examination Group 9.31, 1998, pp. 5-8.
artikel van H. Timmerman dat verscheen in Nieuwsbrief Stichting Dutch Aircraft Examination Group 7.23, 1996
artikel van R. van Otterloo dat verscheen in De Gelderlander, 25 september 2003.
artikel van H. Timmerman dat verscheen in Nieuwsbrief Stichting Dutch Aircraft Examination Group 8.24, 1997
artikel van R.S. Kok dat verscheen in Detector Magazine 97, 2008 pp. 7-11.
door P. van den Broeke,
Gemeente Nijmegen, Bureau Archeologie, 2002
