De mare rondom jonker Ernst Mom als overspelige gifmenger
Historie van enige havezathe-bewoners
In de eerste helft van de veertiende eeuw kregen de landsheren steeds meer grondbezit. Dit gebeurde vooral door ontginning van stukken wildernis, die door 'hoveneren' werden uitgevoerd en die zij weer in leen kregen.
De oorsprong van ons havezate-wezen lag in leenrechtelijke verhoudingen, in de tijd toen het leenstelsel nog gebruikt kon worden, om er diensten ten bate van de staatkundige macht der landsheren mee te verkrijgen.
In de nieuw ontwikkelde nederzettingen komen ze in een groot aantal voor. In Didam, onder Greffelkamp: Baerle, Schadewijck, Manhorst, Nevelhorst, Avesaeth, Oldenhof en de Luijnhorst. Een aantal van de havezathen dateert uit de veertiende eeuw.(1)
Het Avesaeth was ongetwijfeld een van de oudste ridderlijke bezittingen, waarop een zogenaamd 'adelijck getimmer' was gebouwd, één van de kenmerken om als havesate aangeduid te kunnen worden. Het zou anders niet de naam Avesaeth hebben behouden. Ten minste vanaf 1408 was het in bezit van het geslacht Mom, dezelfde tak, die in deze tijd ook de Luijnhorst bezat. Maar dit laatste goed verwierven ze pas in 1440.
Van de familie Mom waren achtereenvolgens Roelof, Aelt en Ernst richter te Didam en Frederik gerichtsman(2), Frederik was beleend met de Ludenhorst (Luijnhorst), Kemnade (op Hengelder) en Schadewijk. Later zou hij nog drost van Boxmeer worden.
Zijn zoon Ernst was de tweede echtgenoot van Gerberich Bentinck. Gerberich Bentinck was tot het jaar 1566 gehuwd met jonker Johan van Scherpenzeel, richter van Stad en Ambt Doesburg.
De Van Scherpenzeels, afkomstig van de Veluwe, zullen op het te Didam verworven goed, waarschijnlijk het huis 'De Nevelhorst' hebben gebouwd.
Er komt al een Johan van Scherpenzeel in 1477 voor onder de Bergh 'haeflieden'. Bedoelde naamgenoot Johan van Scherpenzeel komt in 1532 als geërfde (grondeigenaar) te Didam voor en was de zoon van Hendrik, die in 1540 onder de Berghse ridderschap ter klaring (bij het gerecht) was.(3)
Een knappe vrouw heb je nooit alleen
Jonker Ernst was vrijgezel en leefde als een soort playboy. Hiervoor werd al aangegeven dat zijn familie in zeer goede doen verkeerde. Jonker Ernst trok met zijn charme de vrouwtjes aan en drong hen zijn verliefdheid op; één van hen was joffer Gerberich. In heel Didam en omgeving ging het gerucht dat Joffer Gerberich kinderen had, verwekt door Jonker Ernst. Een bekend gezegde, een knappe vrouw heb je nooit alleen, ging zeker op voor jonker Johan van Scherpenzeel. Gerberich bekoorlijkheid ontging jonker Ernst Mom niet. En de mooie Gerberich stond niet onwillend tegenover zijn avances.
Echtgenoot jonker Johan was vaak voor lang tijd voor zaken van huis. Voor Ernst Mom was zijn afwezigheid een mooie gelegenheid om joffer Gerberich het hof te maken. Jonker Ernst gaf aan zijn dienstpersoneel ruiterlijk toe dat zijn liefje nabij op de Nevelhorst woonde.
Philip Philipsen, die vanaf 1562 tot en met 1564 knecht was bij de Moms, vernam meermalen van de jonker dat hij al jaren een intieme relatie met Gerberich onderhield. Daarbij had jonker Ernst zich wel eens laten ontvallen: 'dat twee bekenden zich wel met ééne vrouw af zouden kunnen'. Hij noemde daarbij geen namen.
Voor jonker Ernst zou het een geschenk uit de hemel zijn, wanneer Johan van Scherpenzeel voorgoed van de aarde verdween zonder dat de schuld daarvan bij hem gezocht zou worden.
Jonker Ernst onderhield connecties met de pastoor van Groessen, Jacob Vallick. Deze pastoor leefde in concubinaat en had ook kinderen bij de vrouw.
Dikwijls moest Philip, te voet of te paard, van de jonker naar Groessen gaan om briefjes aan de pastoor te brengen en weer met een berichtje terug te keren. Tijdens een van die bezoeken zei Philip tegen pastoor: 'Ik hoop niet dat de Jonker wat te vorderen heeft, waardoor iemand schade zou lijden.' De pastoor antwoordde: 'Hij zal wel beter weten,' en hij voegde er aan toe: 'Uw jonker heeft spinsels in het hoofd, ik zou willen dat hij mij met rust liet.'
In een brief aan pastoor Vallick, die niet goed dicht was gemaakt, kon Philip lezen dat de pastoor maar eens bij de jonker te Didam op bezoek moest komen, dan zouden zijn ganzen zich aan de haver te goed mogen doen.
Pastoor Jacob Vallick keurde van jonker Ernst de omgang met joffer Gerberich ten strengste af. Buiten een huwelijk is het niet geoorloofd om intieme relaties met een vrouw te onderhouden, hield de pastoor Ernst Mom herhaaldelijk voor (!).
Jonker Ernst Mom liet zijn snode plannen niet dwarsbomen. Hij stuurde Philip naar een apotheker in Arnhem om daar voor een paar stuivers wormkruid te gaan kopen. Voordat de apotheker het spul meegaf wilde hij weten waar het voor moest dienen. De niets vermoedende Philip vertelde hem, dat hij het kwam kopen in opdracht van jonker Mom en dat het kruid moest dienen om er paarden mee te genezen.
Op zekere dag gaf jonker Ernst aan Philip een poeder, gewikkeld in een papiertje, met de boodschap het aan de dienstmaagd Catharina te geven. Zij wist wel aan wie zij het op de Nevelhorst moest overhandigen. Op weg naar de Nevelhorst had Philip uit nieuwsgierigheid iets van de poeder aan zijn vingers gedaan en er van geproefd. Het spul smaakte zo bitter dat hij het weer snel uitgespuugd had.
Op 11 november 1564 kwam voor Philip een einde aan de dienstbetrekking bij de Moms. Hij was bij de Graaf van den Bergh in ongenade gevallen doordat hij met andere knechten had deelgenomen aan de jacht op het grafelijk domeingoed.
De escapades van 'die schele loer met die witte plumen'
Jutte d'Huit, de echtgenote van Hein Palphernier, kwam al meer dan een jaar regelmatig Gerberich gezelschap houden op de Nevelhorst. Toen de bevalling van Gerberich naderbij kwam en ook de tijd daarna, vanaf eind september tot 21 december, verbleef Jutte bijna dagelijks in haar nabijheid.
In die tijd dat joffer Gerberich hoogzwanger was, vereerde jonker Ernst Mom haar met een bezoek en lag met haar op bed, terwijl de deuren van het vertrek wagenwijd open bleven staan. Jutte zag in 'die Spielerei' geen kwaad dat aanleiding zou kunnen geven tot een echtbreuk tussen jonker Johan en joffer Gerberich.
Op een dag, toen joffer Gerberich niet gesteld was op zijn escapades, nam jonker Ernst haar glas met daarin het gegraveerde familiewapen van de Bentincks en smeet dat uit nijd aan diggelen in de kamer. Toen Jutte haar vroeg hoe het glas was stuk gegaan, zei Gerberich, dat een zwarte kat het glas had vernield.
Kort na dit voorval was joffer Gerberich met Jutte voor een kerkbezoek naar de Sint Martinuskerk (thans Mariakerk) in Didam gegaan. Zodra beide vrouwen in de kerk zaten, kwam jonker Ernst binnen, ging naar Gerberich toe en sprak haar zachtjes aan om vervolgens gezamenlijk de kerk te verlaten. Joffer Gerberich had er niet op gerekend, dat uitgerekend die dag jonker Johan haar zou betrappen in gezelschap van jonker Mom.
Jonker Johan van Scherpenzeel was 's morgens vroeg met laarzen en sporen aan, uit huis vertrokken om op jacht te gaan. Toen hij weer thuiskwam op de Nevelhorst en zijn vrouw niet aantrof, vernam hij dat zij met Jutte naar de kerk was gegaan. Hij besloot onmiddellijk poolshoogte te gaan nemen en trof Jutte alleen aan in de kerk. Zij vertelde hem, dat Gerberich zojuist was vertrokken met jonker Ernst Mom maar wist niet waarheen. Jonker Johan werd ontzettend boos en zei: 'Die spreek ik nog wel nader!'
Een ander voorval was eveneens bijna de druppel geweest die de emmer deed overlopen. Drie weken na de bevalling van zijn vrouw moest jonker Johan van Scherpenzeel voor zaken naar Roosendaal. Hij verzocht aan Jutte om op de Nevelhorst een oogje in het zeil te houden en desnoods bij zijn vrouw Gerberich in hetzelfde bed te gaan slapen. Bij zijn thuiskomst zou hij haar een beloning geven. Nauwelijks had jonker Johan het huis verlaten, of joffer Gerberich kwam het bed uit en nam plaats op een stoel in de kraamkamer. Een half uur later kwam jonker Ernst de kamer binnengeslopen en viel gelijk rollebollend met joffer Gerberich op bed neer. Hij bleef bij haar tot de volgende nacht drie uur en keerde toen pas huiswaarts.
Jutte had tijdens de aanwezigheid van jonker Ernst, op verzoek van Gerberich, een eisoepje en 's avonds een kippensoepje met daarbij een glas wijn in de kraamkamer moeten opdienen. Op de dag zelf, tijdens het verblijf van jonker Ernst op de Nevelhorst, werd Jutte met Warner, een bastaardzoon van jonker Johan, naar het dorp gezonden voor een boodschap. Warner moest haar zogenaamd de weg wijzen.
Bij zijn thuiskomst vanuit Roosendaal, vroeg Johan aan zijn zoon Warner of er nog iets bijzonders was voorgevallen op de Nevelhorst.
Warner vertelde aan hem dat die 'schele loer met die witte plumen' dag en nacht bij Gerberich had doorgebracht. Jonker Johan raakte in alle staten en besloot in een andere kamer een bed te laten opmaken en voortaan apart te gaan slapen. Doch na veel heen en weer gepraat wist Gerberich de breuk weer te lijmen en met Johan haar bed te blijven delen.
Omgekomen door vergif, was het gesprek van de dag in Didam
In juni 1566 overleed plotseling jonker Johan van Scherpenzeel. Joffer Gerberich vertelde aan de Didammers, dat haar echtgenoot 'de weg van alle vlees was gegaan'. Zij gaf daarmee aan dat Jonker Johan een natuurlijke dood was gestorven.
In Didam ging echter als een lopend vuurtje rond, dat jonker Johan met vergif om het leven zou zijn gebracht. Toch kon niemand het bewijs overtuigend leveren, dat er inderdaad een moord gepleegd was.
Het Hof te Arnhem ging zich met de oorzaak van het overlijden van de jonker bezighouden en belastte gerechtsdienaren met het onderzoek.
Naast de perikelen omtrent de echtgenoot van zijn geliefde Gerberich, had Ernst Mom zich nogal wat moeilijkheden op de hals gehaald. Zo waren daar juridische gevechten met de familie over de voogdijschap over de kinderen van zijn vermoorde halfbroer en was hij betrokken bij ordinaire vechtpartijen. In 1564 was hij al eens gevangen gezet in 's-Heerenberg.
Nu kwam daar dus de beschuldiging op de gifmoord op Johan van Scherpenzeel bij. Door de goegemeente was hij al veroordeeld want, zo zei men openlijk, nu kon hij Gerberich Bentinck trouwen.
Op 24 juni 1566 benoemde graaf Willem van den Bergh enige gevolmachtigden om bij de rechter aan te dringen op beëindiging van het proces tegen zijn onderdaan jonker Ernst Mom.(4)
Intussen begonnen de verhoren van het personeel dat in de periode vooraf aan de moord, op de Nevelhorst diende. Tegelijkertijd lieten Ernst Mom en zijn vrienden, en met name zijn geliefde Gerberich, niets achterwege om de getuigen te beïnvloeden.
Ebele, het kindermeisje, geboren te Wilp in een huis dat aan het Bentincksgoed toebehoorde, was als kind van zeven jaar meegenomen naar de Nevelhorst. Nadat zij acht jaar in Didam had gewoond, nam zij een werkkring aan bij een lakenkoopman op de Brink in Deventer. Zij werkte een half jaar in Deventer, toen zij hoorde van het plotseling overlijden van jonker Johan. Vlak na het overlijden van jonker Johan van Scherpenzeel kwam een bode bij haar met de boodschap om even naar haar ouderhuis in Wilp te komen, waar joffer Gerberich op haar wachtte voor een gesprek.
Thuisgekomen trof Ebele, behalve de joffer, ook Trijn, een dienstmeisje dat met haar een tijd op de Nevelhorst had gediend, aan.
Joffer Gerberich nam beide meisjes mee in een kamer, waar zij ongestoord konden praten. Zodra zij zaten zei joffer Gerberich: 'Ghij luijden sult van mijnent wegen gevordert offte gedaecht worden en een condtschap der waerheijt te geven, ende als sulx gebeurt, soe wil doch tuijgen, dat ghij van mij niet gesien en hebt, dan eher ende vromicheit.' Zo’n getuigenis konden zij niet geven en zeiden: 'Neen joffer, hoe solden wij daertoe commen, want wij souden soedoene meinedich werden, want die dingen mit U anders gesteld zijn. Ende ghij weet wel, dat wij anders gesien ende gehoort hebben.'
Joffer Gerberich begreep dat de meisjes geen valse verklaring onder ede voor het gerecht konden geven en zei: 'Ick wil den eedt ende voorts alles wes waervan commen can, op mij nemen, ghij moet mij daermede helpen.'
Voor Ebele voegde zij er aan toe dat, als zij in haar voordeel zou getuigen, haar moeder ongestoord voor altijd op Bentincksgoed mocht blijven wonen.
Om het woongenoot van haar moeder niet in gevaar te brengen, had zij in haar eerste verhoren door de gerechtsdienaren niet de waarheid verteld over de verhouding tussen joffer Gerberich en jonker Ernst op de Nevelhorst. Bij een later verhoor herriep zij alles weer en zei dat zij onder dwang een verklaring had afgegeven. Op verzoek van joffer Gerberich had zij briefjes bij jonker Ernst moeten bezorgen en briefjes meegebracht. Het was algemeen bekend dat de kinderen van joffer Gerberich verwekt waren door jonker Ernst Mom, aan het uiterlijk van de kinderen was duidelijk de vader te herkennen. Jonker Ernst had Ebele vergif gegeven, met de boodschap het spul door het eten van jonker Johan te mengen. Ebele had het vergif niet gebruikt voor dat doel, ondanks aandringen van de jonker.
Een half jaar voor het einde van haar dienstbetrekking op de Nevelhorst, was Ebele onderweg voor boodschappen in het dorp toen jonker Ernst onverwachts voor haar stond en haar vijf eieren gaf. Zij moest de eieren aan joffer Gerberich geven en zeggen dat die voor jonker Johan bestemd waren. Toen de jonker haar de rug toegekeerd had, bemerkte Ebele dat de eieren gekneusd waren. Deze eieren bleven veertien dagen onaangeroerd liggen en toen Ebele een ei openbrak kwam er een afschuwelijke stank uit en was de inhoud zwart geworden. Zij stelde joffer Gerberich van de kwaliteit van de eieren op de hoogte en deze verzocht haar om ze op de mestvaalt te deponeren.
De vraag voor het gerecht, of het waar was dat joffer Gerberich vergif in de 'moes' (boerenkool) van haar man had gedaan, kon Ebele alleen maar beantwoorden met te zeggen: 'Niet in mijn tijd, maar het wordt overal hardop gezegd'.
'Lieve Mom, bedenckt U wael, dat U in geen last en comt'
Peter Peenpennick wandelde met Henrick de Kemerling in de omgeving van de stad Doesburg. Tijdens de wandeling vertelde hij aan Henrick, dat zijn vrouw Luijte, in huis een brief gevonden had die door joffer Gerberich Bentinck was geschreven. In de brief stond:
'Lieve Mom, ick laet U weten, woe dat ick nu alleene hier sijn, sofer U Lieve nu eenighen raet weet hier te komen, dat het niemens en verneemt off dat het niet uith en brieke. So mocht U Lieve toeffent hier komen, dan Lieve Mom bedenckt U wael, dat U Lieve in geen last en comt. Het is geen kleijne sake U lijff ende leven licht daeraen, ende onse eewighe schande, daerom bedencket U wael, want het is geen kleijne sake, ick en neme daer alder werelt goet aen, dat het uthbreke, willen U Lieve toeffent hier kommen, so laet laet Nelken van stonden aen voor hier commen, ende ontbiet ons van wat reden U Lieve kommen woll, dan doet so niet, dat U Lieve namaels tomoet ende ick moet en Sondaghe te Arnhem wesen. Komen U Lieve, so sal ick U Lieve die oorsaecke wel seggen, ander sal ick U Lieve alles gelech schrijven.'
Jonker Ernst Mom had twee jaar voordat de Spanjaarden Doesburg hadden bezet de brief gekregen en deze bij Peter Peenpennick in huis laten liggen. In die tijd was jonker Ernst Didam ontvlucht en hield zich schuil te Doesburg bij zijn tante, joffer Mom. Peter had de brief bij het gerechtshof te Arnhem afgegeven.
Joffer Gerberich en jonker Ernst waren goede bekenden van Peter en Luijte. Tegenover Luijte verklaarde joffer Gerberich dat zij haar man niet met vergif om het leven had gebracht of iemand opdracht daartoe had gegeven. Als goede kennis wist Luijte heel veel van de handel en wandel op de Nevelhorst te Didam. Zij kende zeer goed een zekere Trijn, die als dienstmaagd bij jonker Johan van Scherpenzeel had gewerkt en daarna nog een tijdje bij jonker Ernst Mom. Het feit dat het gerucht over een gifmoord steeds opnieuw oplaaide en Gerberich en Ernst als verdachten werden aangemerkt, was reden voor beiden te gaan zorgen voor zoveel mogelijke ontlastende verklaringen.
Luijte werd verzocht naar het huis van Johan Nagel in Arnhem te gaan en daar Trijn te gaan zeggen, dat zij beter kon onderduiken, zodat zij niet kon worden verhoord door de gerechtelijke instanties. Om haar verzoek meer kracht bij te zetten was Luijte met Trijn naar het huis van Thonis Haegen gegaan, waar jonker Berndt van Voorst reeds op haar zat te wachten
Berndt van Voorst was een goede bekende van de familie Mom en niet zonder reden: hij aasde eigenlijk op havezate Schadewijk. Die was dan wel in het bezit van Wenner van Lennep die gehuwd was met Ernst Moms halfzuster Berta, maar je kon nooit weten hoe Berndts inspanningen beloond zouden worden. In 1612 gelukte het hem, middels een 'verstandig' huwelijk, om inderdaad eigenaar te worden van Schadewijk.
Bij haar binnenkomst sprak hij tot haar: 'Siet Trijn, wordt ghij gebaedt, so en willet het archste tegens mijner nichte niet tugen, noch sweeren. So sal U eenen nijen rock geven. Ind geeft Sij U den rock niet, so sol ick U den selven geven.'
Jonker Berndt van Voorst wist heel goed dat Trijn Hugen veel wist van wat zich bij zijn nicht joffer Gerberich op de Nevelhorst in de loop van vele jaren had afgespeeld. Trijn had al eens tegen een vriendin van haar, Hilleken Veltinck, verteld dat zij vergif van jonker Ernst kreeg met de opdracht dat jonker Johan van Scherpenzeel iets door het eten moest krijgen.
Wie met pek omgaat, wordt ermee besmet, leek goed op Trijn van toepassing. Jonker Ernst liet haar nergens met rust, blijkbaar was hij nog op vrije voeten. Trijn was in 1570 in betrekking bij Teunis Nijssen, herbergier 'In de Zwaan' aan de Oude Kraan te Arnhem. Goed en wel was zij daar werkzaam, of zij kreeg bezoek van jonker Ernst Mom.
Zij vertelde aan de familie Nijssen dat jonker Ernst een huisvriend was bij haar vroegere werkgever op de Nevelhorst. Van overspel en gifmoord repte zij met geen woord en zei alleen, dat jonker Johan van Scherpenzeel een lieve goede man was.
Het viel Teunis en zijn vrouw op dat jonker Ernst haar vaak opzocht en dat zij uren, soms tot diep in de nacht, doorbrachten in de herberg. Het gebeurde vaak, dat ze naar buiten gingen en dat een tijdje daarna Trijn alleen terugkwam. Logisch dat de familie Nijssen over de gang van zaken omtrent Trijn en jonker Ernst hun bedenkingen hadden.
Trijn kreeg het verzoek om bij de jonker weg te blijven. Dergelijke bezoeken betekenden niet veel goeds en Nijssen wist niet dat Trijn een vrouw van lichte zeden was.
Een hele tijd had men over Trijn niets te klagen. De jonker liet zich ook niet meer zien. Geheel onverwachts vroeg Trijn op een gegeven ogenblik aan vrouw Nijssen of zij een paar uurtjes alleen weg mocht om een belangrijke zaak te bespreken en zij beloofde om 's avonds weer tijdig thuis te zijn. Op haar aandringen streek vrouw Nijssen met de hand over het hart en gaf toestemming aan haar om uit te gaan, als zij zich maar aan de afspraak hield. Echter zij kwam 's avonds niet naar huis maar vertrok met een schip vanaf De Kraan en voer tot aan de 'Nooteboom', dat voorbij Huissen lag. Daar werd voor anker gegaan en de nacht doorgebracht in gezelschap van vrienden.
's Morgens kwam zij de herberg binnen en deed het voorkomen of er niets was voorgevallen, haar vrienden hadden haar niet laten gaan. Vrouw Nijssen zou deze keer de zaak door de vingers zien en haar niet wegsturen.
Toch bleef het hier niet bij; een tijdje later verdween Trijn opeens uit de herberg, zonder iets te zeggen. Niemand van de Nijssens had enig vermoeden waar zij uithing.
Na drie dagen kwam zij vrolijk en opgewekt het huis weer in. Zij bracht een buidel vol geld mee en droeg een zwarte rok, die vermoedelijk van een mantel was gemaakt. (De zwarte rok was haar door jonker Berndt van Voorst beloofd.) Vrouw Nijssen was woedend en verlangde een verklaring, hoe zij aan het geld en de zwarte rok was gekomen en of soms jonker Ernst iets van haar had verlangd. Trijn zei dat zij jonker Ernst niet gezien of gehoord had, maar dat joffer Gerberich haar beloond had voor een dienst. Zeer toornig sprak vrouw Nijssen tegen haar: 'Ghij heb ter wel geweest, ghij weet wel wat ghij tot ons voer hem gesacht hebt.' Hierop begon Trijn jammerlijk te huilen en liet zich ontvallen dat zij door die Mom steeds meer en meer in de problemen kwam te zitten.
Vrouw Nijssen kreeg medelijden met haar omdat zij door het gemanipuleer van de jonkers een speelbal was en eigenlijk tegen hen beschermd moest worden. De hele affaire ging Trijn niet in de koude kleren zitten. 's Nachts kon zij er bijna niet van slapen, ging vaak het bed uit en liep dan door de slaapkamer te zuchten: 'Och, och, wat heb ik gedaan, wat hebbe ick gedaen.' De dochter van vrouw Nijssen maakte soms een hatelijke opmerking in haar richting, door te zeggen, dat zij die rok niet met mooie praatjes had verkregen.
Om de hele zaak te ontvluchten nam Trijn bij de familie Nijssen ontslag en vertrok naar Keulen. Nadat zij al een hele tijd uit Arnhem weg was, kwam jonker Ernst op De Kraan te Arnhem en vernam dat Trijn in Keulen woonde. Hij zou en moest ook daar in Keulen voorkomen, dat de ondervragers van het gerecht haar op ware feitelijkheden gingen uithoren.
Hij zou naar Keulen gaan, maar hij zond Luijte en Reiner te Pass vooruit om met Trijn te gaan overleggen dat zij, noch haar man Jacob voor het gerecht een belastende verklaring moesten afleggen. In Keulen aangekomen hadden zij met Jacob en Trijn gesproken. Trijn zei tegen Luijte: 'Oer man weer niet een hoer ewech en verteerde daer so dane dartich daler, als oer man van die wederparthie ontfangen hadden.'
Jacob en ook Trijn vonden Ernst Mom een echte heer, die hen voor de bewezen diensten met dertig daler had beloond.
Toen Reiner te Pass een getuige erbij riep om een verklaring over het besprokene op schrift te stellen, zei Trijn tegen hem: 'Ik zal geen plezier beleven om jullie een verklaring te verstrekken, waarom mijn man van de tegenpartij dertig daler heeft gekregen.' Verder deed zij er het zwijgen toe.
Het vermoeden van jonker Ernst kwam uit: in Keulen kwamen gerechtsdienaren uit Arnhem om Trijn en haar man aan een verhoor te onderwerpen. Het ware met name Derrick Gerits van Houth en Peter van Berck, stalknecht in dienst van de rechter en een zekere Johan Post.
Het gezelschap kwam een week voor Palmzondag te Keulen aan, waar inmiddels ook jonker Ernst Mom verblijf hield. In het midden van de Goede Week verliet jonker Mom het Keulse stadhuis en trof op de markt twee vrouwen en wel Trijn in gezelschap van een andere vrouw die jonker Ernst meteen herkende als Catharina, het dienstmeisje op de Nevelhorst, en vroeg haar: 'Ick verstae woe dat ghij soudet getuight hebben dat ik U soude eenige gijfften ende gaven, offte beloffte van gijfften ende gaven belaeft, offte uwe moeder vijftig kroenen te geven, aengeboden ende toegesacht hebben, dat uwe moeder der tijt in behaftonge sittende.' Waarop Trijn hem antwoordde: 'Jonker solde ick sulx getuijght hebben, dat en is nijet waer, hoe solde ick sulck dingen commen te seggen.'
Deze uitspraak werd gedaan in tegenwoordigheid van de justitiedienaren, die het op schrift gingen stellen als een belastende verklaring voor jonker Ernst Mom. De onderzoeksrechter liet daarop Trijn ondervragen te Keulen door zijn gevolmachtigde ambtenaar, Derrick van Duven, in bijzijn van eerdergenoemde Derrick en Peter. Daarna vertrok het gezelschap weer naar Arnhem waar jonker Mom voor Het Hof werd gedaagd.
Jonker Ernst Mom verliest zijn leven en zijn goed
Jonker Ernst Mom werd door de graaf Van den Bergh de hand boven het hoofd gehouden maar deze kon niet voorkomen dat de jonker, op basis van andere vergrijpen, gevangen werd gezet in de Sint Janspoort te Arnhem.
Toen hij in de gevangenis zat, groeide de aanvankelijke flirt met Gerberich Bentinck uit tot een hechte liefde en trad hij met de joffer in het huwelijk (1579?) Vanuit de gevangenis zette hij zich regelmatig in voor de belangen van zijn vrouw en kinderen op de Nevelhorst.
Op 6 maart 1571 schreven de Kanselier en Raden van Gelderland aan de markgenoten van Didam (op verzoek van Ernst Mom vanuit de gevangenis) en vroegen of hij op de holtspraken en holtdelingen zijn gevolmachtigde mocht zenden. Dit in het belang van zijn vrouw, opdat zij de voordelen aan de deelmeesterschap verbonden, kon genieten.
Reeds eerder (toen hij nog te 's-Heerenberg gevangen zat), zo bleek uit dit schrijven, had jonker Ernst Mom dat al gevraagd, maar de markgenoten hadden het geweigerd, omdat een vrouw geen deelmeester kon zijn en een deelmeester persoonlijk aan de houtdeling moest deelnemen.
Jonker Ernst weerlegde deze uitspraak en zei dat hij namens zijn echtgenote, joffer Gerberich Bentinck, gerechtigd was om een vertegenwoordiger aan de houtdeling te laten deelnemen. Jonker Johan van Scherpenzeel zaliger was tijdens zijn leven achttien of negentien jaar markgenoot geweest. Hij kon zijn nagelaten betrekkingen alleen maar namens de te jonge kinderen behartigen. Ernst verwees de markgenoten naar eerdere houtdelingen, waar twee nog jonge kinderen van wijlen Cornelis van Deelen wel een vertegenwoordiger bij de houtdeling hadden.
Zijn verzoek werd uiteindelijk ingewilligd en ondanks zijn afwezigheid werd er toch een gevolmachtigde op de deling toegelaten.
De graaf Van den Bergh schonk op 20 augustus 1579 vergiffenis aan jonker Ernst Mom en gaf hem zijn goederen terug, die in 1573 onder Boxmeer in beslag waren genomen.(5)
Door de 'losse verhoudingen' is het niet geheel duidelijk hoeveel kinderen Ernst Mom en Geberich Bentinck samen kregen. Volgens onderzoeker H.M. Werner werden uit hun huwelijk twee kinderen geboren, te weten Guda en Willem.(6) Helemaal zeker is dit niet; Guda kan een Van Scherpenzeel zijn geweest. Mogelijk had zij een halfzuster Maria Mom (geboren na de dood van jonker Johan van Scherpenzeel), of misschien heeft Ernst één van zijn vóórkinderen bij Gerberich later als zijn eigen kind erkend.
Na zijn vrijlating in 1579 bleef de dreiging van een proces boven het hoofd van jonker Ernst Mom hangen. De bewijslast tegen hem werd steeds groter en uiteindelijk werd hij weer te Arnhem in de gevangenis gezet en op 24 januari 1596 voor het Hof te Arnhem aangeklaagd wegens:
1. Een doodslag begaan op Otto van Lent in het Graafschap Bergh, hetgeen hij bekende.
2. In echtbreuk geleefd te hebben met joffer Gerberich Bentinck,vrouw van jonker Johan van Scherpenzeel, die hij later huwde, nadat hij eerst haar echtgenoot Johan van Scherpenzeel door vergif had omgebracht.
3. Meineed, ten einde getuigen tegen hem krachteloos te maken en zich, tegen de waarheid in, omtrent zekere aanklachten, onschuldig te doen voorkomen.
De beide laatste punten (2 en 3) ontkende hij, maar het Hof verklaarde hem schuldig, en veroordeelde hem tot eeuwige verbanning en boete van duizend gulden in de proceskosten.
Hij stierf nog in hetzelfde jaar 1596 in de gevangenis te Arnhem.
Zijn vrouw bleef alleen met enkele kinderen achter op de Nevelhorst. Haar erfgename was haar dochter, Maria Mom, die getrouwd was met jonker Evert van Dunnewolt. Later ging het goed over op hun zoon jonker Ernst van Dunnewolt, die tengevolge van een overval op de Nevelhorst door soldaten van Ritmeester Caeltjen, een schotwond in zijn bovenbeen opliep waaraan hij kwam te overlijden.(7)
De eeuwen daarna heeft hij zich naar aanleiding van de gebeurtenissen op de Nevelhorst, waarin de bewoners lief en leed, leven en dood op een geruchtmakende manier beleefden, een sage ontwikkeld. Boven de gracht zouden bij nacht en ontij dwaallichtjes van verliefde vrouwen zweven, op zoek naar hun geliefden, die nimmer afscheid hadden genomen.
Met dank aan de heer Henk Stevens uit Didam voor zijn aanvullende gegevens omtrent het geslacht Mom.
Bronnen:
Rijksarchief Gelderland (R.A.G.) te Arnhem, archief van Hof van Gelderland, Inv. Nr. 0124-4531.
1) Dalen, A.G. van, Gelderse Historie in de Liemers (’s Gravenhage 1971).
2) Fahne, A., Urkundebuch Geslechts Momm oder Mumm Deel I ( Keulen 1876), 382 en 383.
3) Werner, H.M., Genealogie van het Geslacht Mom (Den Haag 1883).
4) Archief Huis Bergh (A.H.B.), Markenbuch.
5) A.H.B., Regestenlijst van Oorkonden nrs. 3078, 3174, 3571.
6) Zie 3.
7) Goossen, Th., Jonker Ernst van Dunnewolt tot de Nevelhorst, in: Oaver Diem nummer 13 (Didam 1998).
