120 Jaar Huishoudonderwijs

 

Honderd jaar lang hebben ze bestaan: de huishoudscholen. Na de laatste klas van de lagere school (later de basisschool) vervolgden veel meisjes hun opleiding op een huishoudschool om een deugdelijke huisvrouw te worden. De jongens van hun leeftijd werden naar de ambachtsschool gestuurd om een vak te leren.
De eerste huishoudschool in Nederland ontstond in 1888. Het initiatief werd geboren uit idealisme. Het verheffen van het volk was in die dagen een geliefd thema. Onder invloed van de dreiging van het opkomende socialisme had de gevestigde elite in Nederland veel aandacht voor en zorg over de werkende klasse. Het was immers zaak om de arbeiders tevreden en gelukkig te houden zodat allerlei linkse revolutionaire ideeën geen voet aan de grond zouden krijgen. Het was de Maatschappij van Nijverheid, een belangenorganisatie van de industrie, die in 1881 een onderzoek liet uitvoeren naar nut en noodzaak van kookscholen voor het volk.
De twee vragen die centraal stonden in dit onderzoek waren: kan de volksvoeding in Nederland beter? En zouden kookscholen een idee zijn om die verbetering te realiseren? Het antwoord op de eerste vraag luidde bevestigend: de voeding van onze arbeidende klasse over het algemeen zoo onvoldoende is, dat nu reeds onze arbeiders niet in staat zijn datgene te doen wat bij een krachtiger voeding van hen zoude mogen verwacht
De Maatschappij vond het een treurige toestand dat de arbeidende stand, die, zo schrijft zij in haar rapport, zeker "tweederde van de bevolking" uitmaakte, zo weinig levenskrachtig was en zo'n slechte gezondheid bezat. Aangezien een gezonde, goed doorvoede arbeider nu eenmaal harder werkt dan een slecht gevoede was er dus een economisch belang mee gediend.
Ook de tweede vraag werd bevestigend beantwoord. De commissie zette haar pleidooi voor de oprichting van kookscholen vervolgens kracht bij door te wijzen op de ervaringen met kookonderwijs in Engeland. Evenals in Engeland zou ook in Nederland een beroep moeten worden gedaan op de 'ontwikkelde vrouw'. Zij zouden de meisjes uit de werkende stand moeten onderrichten, zo meende de commissie. Naar aanleiding van het rapport van de commissie, stelde de Maatschappij van Nijverheid f. 500,-- beschikbaar voor diegenen die bereid waren een poging te doen tot oprichting eener kookschool in deze geest en langs den weg als in dit rapport aangegeven.
A.C. Manden, studente biologie in Groningen, werd uitverkoren voor deze taak. Op kosten van de Maatschappij van Nijverheid ging zij zich oriënteren op het gebied van het huishoudonderwijs in Engeland en Duitsland en vervolgens werd zij directrice van de eerste kookschool hier te lande die in 1888, in 's Gravenhage, werd opgericht (Haagsche Kookschool). Snel daarna volgde ook in andere steden de oprichting van kook- en huishoudscholen, onder meer in Amsterdam en Utrecht. Financiële steun kregen zij, behalve van de maatschappij van Nijverheid, ook van andere organisaties, zoals bijvoorbeeld de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.

Een motief voor de oprichting van huishoudscholen en andere vormen van huishoudelijk onderwijs vormde dus een streven naar verbetering van de voedingsgewoonten van de arbeidende klasse. Daarnaast was er ook het streven naar terugdringing van het drankmisbruik. Vrouwen moesten zorgen voor de binding van man en kinderen aan het huiselijk leven; mannen zouden dan minder naar de kroeg gaan en kinderen minder op straat rondzwerven. J. Bruinwold-Riedel, een vooraanstaand lid van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en betrokken bij de oprichting van meerdere huishoudscholen, zei het als volgt; "Onbekwame huisvrouwen werken cafébezoek en drankmisbruik in de hand. Dit kan voorkomen worden door vrouwen goede huishoudcursussen te geven". Een laatste motief voor de oprichting van huishoudscholen was de behoefte aan een goede beroepsopleiding voor dienstboden voor de hogere stand. Men had kritiek op de beperkte kundigheden van vele dienstboden. Bovendien was er een tekort aan dienstboden. Een aparte opleiding achtte men noodzakelijk om de voor die tijd nieuwe technieken te leren. De officiële doelstelling van het huishoudonderwijs luidde: "Het leidt de leerling op tot een vak, waarmee zij in haar eigen onderhoud kan voorzien, maar het bereidt ook voor op de taak van huisvrouw en moeder". Deze doelstelling bleef lange tijd gehandhaafd. Maar een gemeenschappelijke doelstelling leverde in de praktijk geen gemeenschappelijk leerplan op: vóór 1921 verschilde het leerplan per school. Tot de vaste onderdelen van elke huishoudschool behoorde de vakken koken, naaien, verstellen, overig huishoudelijk werk en budgettering (het doelmatig omgaan met het gezinsloon). In 1921 kwam de Nijverheidswet tot stand waarin ook het huishoudonderwijs was opgenomen. Vanaf dat jaar werden huishoudscholen gesubsidieerd door het rijk; de goedwillende houding van de overheid zou evenwel van korte duur blijken te zijn. De teruggang in de economie begin jaren twintig dwong de regering tot bezuinigingen in de overheidsuitgaven. Ook het onderwijs zou al spoedig de gevolgen daarvan ondervinden. Verdergaande bezuinigingsmaatregelen leidden in 1931 tot een beperking van de duur van de opleiding van drie tot twee jaar. De redenen die werden aangevoerd voor deze maatregel, zijn veelzeggend; het nut van deze vorm van onderwijs werd niet hoog aangeslagen. Zo stelde de regering dat ten hoogste 35% van de leerlingen het huishouden, de vrouwelijke handwerken en de kinderverzorging als vak wilden beoefenen. Voor de overigen zou het onderwijs weggegooid geld zijn: die gingen toch trouwen?

Na de Tweede Wereldoorlog werd het opvoedend karakter van het huishoudonderwijs sterker benadrukt dan voorheen; er verschenen meer algemeen vormende vakken op het lesrooster. Evenals de huishoudelijke en de naaldvakken maakten ze eenderde uit van het leerplan. Daarnaast waren er nog enkele uren voor zang, tekenen en lichamelijke opvoeding. Dit leerplan gold sindsdien voor alle scholen.
Om het zwaar gehavende Nederland van 1945 er op economisch gebied weer bovenop te helpen ging de regering over tot het voeren van een industrialisatiepolitiek. Over de noodzaak hiervan waren de meeste partijen het wel met elkaar eens, maar tegelijkertijd bestond bij velen een angst voor de gevolgen die dat zou kunnen hebben op maatschappelijk gebied. De grote onrust over de zogeheten demoralisering in het algemeen en verwildering van de jeugd in het bijzonder, als gevolg van de oorlog, waren daar mede debet aan. Men vreesde voor een uitholling van het gezin, hetgeen in die tijd een synoniem was van ontwrichting van de samenleving. Om die reden begon Den Haag met een fervente gezinspolitiek; het stimuleren van huishoudelijk onderwijs werd een van de peilers van dit beleid. In 1948 zei PVDA kamerlid J. Kramer het in het parlement aldus: "Voor de sociale en culturele opbouw van ons volksleven is een huishoudelijke scholing van de vrouwelijke jeugd een eerste vereiste. Iedere maatschappelijk werker weet dat een van de meest ontbindende factoren in ons volksleven is, het te kort schieten van de vrouw in haar taak, die zij heeft in het gezin". Opvallend in vergelijking met de voorgaande perioden is dat de overheid nu wél veel belang hecht aan de huishoudschool. Behalve de al genoemde argumenten, werd ook herhaaldelijk betoogd dat de welvaart van het land meer gediend was bij 'doelmatig verteren' dan bij hogere lonen. En dat kwam de overheid goed uit in de geleide loonpolitiek van die jaren.

Het aantal leerlingen groeide sterk, vooral na 1955. Uit diverse gegevens komt naar voren dat leerlingen uit 'lagere' sociale milieus verhoudingsgewijs toenemen. Eindelijk bereikte men de doelgroep die men wenste te bereiken:'de meisjes uit het volk'. Dat deze meisjes enkele jaren gingen doorleren na de lagere school heeft diverse redenen, waarvan de verlenging van de leerplicht zeker niet de minst belangrijkste is. Maar ook nu maakten vele meisjes de school niet af. Het aantal voortijdige schoolverlaters was enorm groot; gemiddeld bleven leerlingen slechts anderhalf jaar op de huishoudschool!
Begin jaren zestig kwamen onderzoekers tot de ontdekking dat het IQ van leerlingen (ook) op de huishoudschool nogal varieerde; ja, er zou zelfs veel verborgen talent huizen op deze school. De regering achtte het daarom van belang om meer te selecteren en differentiëren teneinde de doorstroommogelijkheden van de leerlingen te vergroten. Zo kwam er een P-stroom en een T-stroom, respectievelijk voor de zogeheten meer praktisch en meer theoretisch ingestelde meisjes. Voor de minst begaafden werd het Individueel Nijverheids Onderwijs voor Meisjes (INOM) in het leven geroepen. In 1968 kreeg het huishoudonderwijs een plaats in de Mammoetwet (officieel gaat het dan LHNO heten) en werd de opleiding driejarig. Vooral om de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten werd het aantal algemeen vormende vakken uitgebreid; dat ging ten koste van het huishoudelijk onderwijs. In 1973 volgde een vierde leerjaar en trad er een nog sterkere 'veralgemenisering' op. De indeling in T- en P- stroom maakte plaats voor niveau-differentiatie per vak (A-, B- C- niveau).
In de jaren zeventig en tachtig loopt het aantal leerlingen terug, maar de huishoudschool bestaat nog steeds. Zij wordt voornamelijk bezocht door meisjes uit de 'lagere' sociale milieus. Zij die na de afronding van hun opleiding maar moeilijk een baan kunnen vinden. Veel leerlingen zijn ook in deze tijd nog voorbestemd tot echtgenote, huisvrouw en moeder, al was het alleen maar omdat er voor hen zo weinig (aantrekkelijke) banen openstaan. Vijftien jaar geleden tenslotte werd de nadruk definitief verplaatst naar economische onafhankelijkheid. De 1990-maatregel wordt van kracht.
De overheid streeft na dat in de nabije toekomst ieder individu in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Meisjes en jongens -het gaat om de mensen geboren na 31 december 1971- dienen voortaan voor zichzelf te kunnen zorgen als volwassene, zij worden geacht eco­nomisch zelfstandig te zijn. Voor veel vrouwen is dat wat nieuws. "Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid", zo luidt daarom de boodschap die er al geruime tijd wordt in gehamerd. Vrou­wen uit de '1990-generatie' en jonger moeten zich voorbereiden op (blijvende) deelname aan betaalde arbeid. In het begin van het huishoudonderwijs was het de opzet geweest kundige en brave huisvrouwen te vormen die de spil van een gezond gezin en een voorbeeldig echtgenote en moeder zouden worden. Nu, honderd jaar later staat het individu voorop. Economische onafhankelijkheid is het hoogste goed.

Bron: www.deschoolanno.nl & doctoraalscriptie Economische en Sociale
Geschiedenis van H. Vossen (KUN).


Verhalen van bezoekers

Uw verhaal plaatsen