Hoe het er in vroegere eeuwen op bouwplaatsen precies aan toe ging is niet met zekerheid te zeggen. Maar de wetenschap dat de eerste veiligheidswet voor bedrijven pas in 1895 gestalte kreeg geeft te raden dat de eisen die aan de veiligheid voor de werknemer werden gesteld, in de 17e eeuw beslist te wensen over lieten.
Hoogwerkers van tegenwoordig zekeren zich met touwen en weten zich beschermd door een degelijke steiger, destijds was men naar alle waarschijnlijkheid geheel aan de zwaartekracht overgeleverd. Een glad stukje leisteen kon dus ook grote gevolgen hebben.
Het feit dat dakdekker Limp een dergelijke schuiver vanaf torenhoogte na kon vertellen is dus beslist wonderlijk te noemen. Deels is dit te danken aan het goede schoeisel dat hij droeg. Als je de schoen goed bekijkt, zou het ook een moderne zware bouwvakkerschoen kunnen zijn. Zwaar leren bovenwerk en zware leren zolen.
Wie de geschiedenis van het schoeisel erop
nakijkt komt tot de ontdekking dat Limp talloze eeuwen eerder zeker
niet was blijven hangen aan zijn schoenen.
Een kort overzicht: de prehistorische mens verpakte de voeten in
stukken huid die met touwen om de voeten werden gebonden. Van zolen
was geen enkele sprake. Het was een beschermend stukje leer zonder
enige vorm van stevigheid.
De Egyptenaren liepen tot de 15e eeuw veelal op
blote voeten of op sandalen van papyrus. De rijken droegen zacht
leren schoenen met een gebogen punt aan de neus, de schoen was vaak
rijk gedecoreerd.
In de Klassieke oudheid droegen de vrouwen schoenen met hoge zolen
van kurk, dan leken ze langer, en de mannen droegen of veelal
sandalen, schoenen of laarzen al naar gelang men geld had voor de
materialen. Arme boeren droegen houten schoeisel.
De overblijfselen van de middeleeuwse schoenen
laten zien dat er veel leren schoenen werden gedragen,
snavelschoenen (puntschoenen) met dunne zolen waren vooral in de
late Middeleeuwen populair. De lengte van de punt gaf aan hoe rijk
je was. Een lange punt, erg lastig bij het dagelijkse werk, was
alleen voor de rijken weggelegd. Zo werd de schoenpunt dus een
statussymbool.
Vanaf de 16e en 17e eeuw komen er andere schoenen in de mode, de
lange puntschoenen maken plaats voor stevige leren, compacte
stappers. Lage schoenen met brede neuzen, ook wel koemuilen
genaamd.
De hoge hak werd in 1580 door Koning Hendrik III uit Frankrijk geïntroduceerd. Aanvankelijk was dit modesnufje alleen aan de adel voorbehouden. Pas in de 17e eeuw wordt de hoge hak gemeengoed. De schoenmode van de 17e eeuw werd door het hof van de Zonnekoning bepaald. Vanuit Versaille, vlakbij Parijs werd het modebeeld over Europa verspreid. Met veel strikken, rozetten en gespen werd het schoeisel verfraaid. Vaak was dit exorbitante schoeisel dusdanig duur dat een boerengezin er een jaar van had kunnen leven. Naast dit rijk versierde schoeisel werden er ook veel laarzen gedragen, zowel de stoere als de verfijnde variant.
In de periode die we Rococo noemen (18e eeuw)
was Parijs nog steeds maatgevend op het gebied van de mode in het
algemeen en de schoenmode in het bijzonder. De hakken bleven, de
versieringen ook. De belijning van het schoeisel werd iets minder
pompeus, iets eleganter.
Aan het begin van de 19e eeuw komt er een versobering op het gebied
van schoenmode. De hoge hakken maken plaats voor lage schoenen met
rechte neuzen. Later verschijnen er geleidelijk aan elegante
enkellaarsjes en schoenen.
Ook de sportschoen doet zijn intrede. Schoenen geschikt gemaakt voor verschillende sporten zoals: fietsen, roeien, bergbeklimmen en tennissen. Een ontwikkeling die zich in de 20e eeuw sterk heeft voortgezet. Tegenwoordig is er voor iedere gelegenheid een passende schoen te krijgen.
Bouwvakkers dragen net als dakdekker Limp stevige leren schoenen met stalen neuzen om te voorkomen dat vallende elementen de tenen beschadigen. Een schoen als valbreker is tegenwoordig overbodig want die rol is overgenomen door stevige steigers die de werkers voor uitglijden moeten behoeden.
Schoen van Limp