08 Zwarteweg 14
Tijdens de Slag om Arnhem raakte generaal-majoor Robert Urquhart afgesneden van zijn eigen troepenmacht. Hij moest noodgedwongen onderduiken op de vliering van Zwarteweg 14 in afwachting van wat komen ging. Deze gebeurtenis had grote invloed op het verdere verloop van de strijd. De Britten zouden vanaf de landingsvelden langs drie routes naar de Rijnbrug optrekken. Een kolonne jeeps van het Reconnaissance Squadron moest er als eerste aankomen. Deze eenheid strandde al snel. Urquhart wilde Lathbury van de 1st Parachute Brigade daarom laten weten dat het 2nd Parachute Battalion onder leiding van John Frost haast moest maken om de brug te bereiken. Frost zou de zuidelijke route nemen, via het benedendorp van Oosterbeek en Onderlangs. Achter Frost volgde het hoofdkwartier van Lathbury. Toen Urquhart daar arriveerde, was de brigadecommandant zelf echter weggereden naar het 3rd Parachute Battalion van Fitch. Dit volgde de middelste route naar de Rijnbrug, via de Utrechtseweg. Al dit heen en weer gerij werd veroorzaakt doordat de verbindingen slecht werkten. Lathbury en Urquhart troffen elkaar bij Fitch. Doordat achter in de kolonne gevechten uitbraken met de Duitsers, en de weg terug naar achteren voor Urquhart werd afgesneden, werd besloten dat de generaals bij het 3rd Parachute Battalion zouden blijven, en de opmars naar Arnhem met hen zouden volgen. De dag erop – maandag 18 september – stelde Lathbury echter alsnog voor aan Urquhart terug te keren naar zijn divisiehoofdkwartier. Ze renden weg, maar in de verkeerde richting. Ze liepen de Duitsers in Lombok tegemoet. Lathbury raakte gewond, en verstopte zich in een woning, terwijl Urquhart zich in een ander huis verborg. De dag erop werd de divisiecommandant ontzet door andere Britse eenheden, en keerde terug naar zijn hoofdkwartier.
Urquhart gaat op pad
De verbindingen werken meteen na de landingen al niet goed. Daardoor gaat Urquhart in zijn jeep op pad om meldingen aan zijn commandanten door te geven.
Urquhart op zoek naar Gough
Op de eerste dag van de Slag om Arnhem bleek al snel dat de radioverbindingen van de 1st Airborne Division niet optimaal werkten. De divisiecommandant, generaal-majoor Robert E. Urquhart (1901-1989), besloot daarom aan het einde van de middag om met een jeep, chauffeur en radioman het hoofdkwartier van zijn 1st Airlanding Brigade te bezoeken aan de Duitsekampweg in Wolfheze. Dit hoofdkwartier lag minder dan twee kilometer van zijn hoofdkwartier vandaan.
Door zelf polshoogte te nemen hoopte hij een beter overzicht te krijgen van de situatie.
Om 16.30 verliet Urquharts groep per jeep het divisiehoofdkwartier aan de rand van het landingsterrein, vlakbij Wolfheze, en bracht een kort bezoek aan het brigadehoofdkwartier van de 1st Airlanding Brigade. De commandant van de brigade bleek echter niet aanwezig te zijn. Wel was er nieuws over het 1st Airborne Squadron dat in een hinderlaag was gereden ten noorden van de spoorlijn tussen Arnhem en Utrecht. Urquhart schreef na de oorlog:[1]
“Het was nu van belang dat ik met de commandant van het Reconnaissance Squadron (Freddie Gough) een nieuw plan kon maken. Lathbury moest weten dat zijn 2nd Parachute Battalion onder John Frost nu alleen en zo snel als maar mogelijk was naar de brug moest optrekken. Verder was het onaangenaam dat een deel van Goughs mannen bestemd waren voor werk op mijn hoofdkwartier, terwijl ik Gough nu nodig had om voor mij uit te trekken naar de stad. Niemand wist waar hij uithing. Ik liet de order achter, dat hij onmiddellijk contact met me moest opnemen en keerde terug naar mijn eigen hoofdkwartier.
Er was niet alleen geen nieuws van Gough toen ik terugkwam, maar het bleek ook dat de verbindingen geheel faalden. Hier en daar lukte het op korte afstand tussen onderdelen contact te krijgen, maar met de 1st Parachute Brigade en de buitenwereld had men geen verbinding.”
Urquhart op zoek naar Lathbury
De reden dat er geen contact kon worden gemaakt met de verkenningseenheid was dat de radio’s van deze eenheid waren afgestemd op de radiofrequentie van de 1st Parachute Brigade. Het was dus onmogelijk om rechtstreeks te communiceren tussen het divisiehoofdkwartier en het 1st Airborne Reconnaissance Squadron.[2] Urquhart besloot om achter zijn 1st Parachute Brigade aan te rijden om brigade-generaal Gerald W. Lathbury te spreken:[3]
“Ik berekende dat Lathbury’s brigade, zelfs na het efficiënte begin dat ik zelf had gadegeslagen, de brug nog niet kon hebben bereikt. Ik had een paar jeeps zien vertrekken, maar de meeste mannen waren te voet en ze konden nog niet meer dan een paar uur onderweg zijn. Ik liet instructies achter voor Gough, dat hij mij moest zien te bereiken op het hoofdkwartier van Lathbury, dat het 2nd Parachute Battalion volgde op de benedenweg.”
De 1st Parachute Brigade was via drie routes naar Arnhem vertrokken. Het 1st Parachute Battalion van luitenant-kolonel David T. Dobie volgde de route van de 1st Airborne Squadron via de Amsterdamseweg. Het 3rd Parachute Battalion onder bevel van luitenant-kolonel John A.C. Fitch marcheerde over de middelste route – de Utrechtseweg. Luitenant-kolonel John D. Frost’s 2nd Parachute Battalion tenslotte volgde de meest zuidelijke route naar de brug – de Benedendorpseweg en vervolgens verder langs de Rijn. Dit bataljon werd gevolgd door het hoofdkwartier van de 1st Parachute Brigade. Urquhart besloot om de zuidelijke route te volgen in zijn jeep met radioman en chauffeur. Hij vroeg zijn artillerie commandant, luitenant-kolonel Robert G. Loder-Symonds, om met hem mee te rijden. Wellicht kon Loder-Symonds dan artilleriedoelen noteren die hij bij hun terugkeer naar het divisiehoofdkwartier aan zijn kannoniers kon doorgeven.
Vreemd genoeg vertrok de divisiecommandant zonder een gewapend escorte van soldaten van het 1st Airborne Division Headquarters Defence Platoon of de kleine groep van het 1st Airborne Reconnaissance Squadron die bij het hoofdkwartier aanwezig waren. Urquharts chauffeur reed eerst het 2nd Parachute Battalion en het hoofdkwartier van zijn 1st Parachute Brigade achterna. Het duurde niet lang voordat ze het brigadehoofdkwartier inhaalden. Urquhart sprak met de brigademajoor, majoor Tony Hibbert, die hem vertelde dat brigade-generaal Gerald Lathbury naar het 3rd Parachute Battalion was gereden.[4]
Aangezien de kolonne tot stilstand was gekomen doordat het 2nd Parachute Battalion verderop op tegenstand was gestuit benutte Luitenant-kolonel Loder-Symonds de gelegenheid om met majoor Dennis Munford te overleggen. Munford was de commandant van een van zijn artilleriebatterijen en vergezelde het brigadehoofdkwartier als artilleriewaarnemer. Urquhart wilde echter zo snel mogelijk Lathbury spreken en nam daarom afscheid van Loder-Symonds, die later op eigen gelegenheid naar het divisiehoofdkwartier zou keren.
In een snel tempo reed de chauffeur terug richting Heelsum en volgde vervolgens de Utrechtseweg. Het duurde niet lang voordat ze de kolonne van het 3rd Parachute Battalion bereikten. Brigade-generaal Lathbury herinnerde zich later van Urquharts komst:[5]
“The enemy were still firing on a portion of the road (…) from the north and A Coy – who had arrived about 18.00, were ordered to send a patrol to investigate the thick country just north of the road. About this time the Div. Comm. appeared in a jeep and was shot at the same point. He said he was expecting Major Gough and part of the recce squadron to move up that road and it was decided we would both wait till he arrived.”
Onder vuur
Kort daarna werd het kruispunt waarop Lathbury en Urquhart overlegden met luitenant-kolonel John Fitch onder vuur genomen door Duitse mortieren. De jeep van Urquhart werd getroffen en zijn chauffeur raakte ernstig gewond. De radio was niet beschadigd, maar werkte niet goed. Ook met de radio van Lathbury kon het divisiehoofdkwartier niet worden bereikt. Terugrijden over dezelfde weg naar zijn divisiehoofdkwartier was niet mogelijk doordat de achterhoede van het 3de Parachute Battalion werd aangevallen. De achterste compagnie kreeg per radio het bevel om de Duitse aanval af te slaan en weer aan te sluiten bij de rest van het bataljon.
Urquhart was niet blij met deze ontdekking, want hij kon nu niet terugkeren naar zijn hoofdkwartier:
“In de vallende schemering vorderden wij langzaam over de hoofdweg. De berichten die van voren kwamen waren verre van gunstig: de meest vooruitgeschoven compagnie had contact met de vijand en werd dicht bij hotel Hartenstein in de buitenwijken van Oosterbeek opgehouden. Hoewel het me ergerde dat alles zo langzaam ging was het een troostende gedachte dat ik op de hoogte bleef van de gevechtssituatie, ook al bevond ik me niet op het hoofdkwartier van de divisie. (…..) Toch was het een verontrustend idee, dat ik niet meer wist van wat er in de andere sectoren gebeurde.”[6]
Opmars wordt gestopt voor de nacht
Rond half acht besloot brigade-generaal Lathbury, na overlegd te hebben gepleegd met luitenant-kolonel Fitch, om de opmars te stoppen. [7] De duisternis was gevallen en het 3de Parachutistenbataljon was niet veel verder gekomen dan Oosterbeek, ongeveer zes kilometer van het centrum van Arnhem vandaan. Een villa aan de westelijke rand van Oosterbeek werd uitgekozen als bataljonshoofdkwartier.
Majoor Alan Bush, de plaatsvervangende bataljonscommandant, en een soldaat kregen de opdracht om C Company te volgen dat twee uur eerder via de Brede Laan en een weg parallel aan de spoorlijn had geprobeerd om de Duitse tegenstand te omtrekken. Zij moesten majoor Lewis het bevel overbrengen ook zijn compagnie halt te laten houden.[8] Een uur later kwamen ze terug met het bericht dat ze alleen gedode Duitsers hadden gezien. Een noordelijke route leek dus mogelijk.[9]
Om 21.30 uur werd er radiocontact gemaakt met het brigadehoofdkwartier en brigade-generaal Lathbury sprak met majoor Hibbert, die hem vertelde dat er op de zuidelijke route geen tegenstand meer geboden werd. Hibbert stelde voor om het 3rd Parachute Battalion achter het brigadehoofdkwartier aan te sturen, maar dit werd afgewezen door Lathbury. De volgende morgen vroeg zouden ze de zuidelijke route volgen. Kort daarna was de verbinding weer verbroken.[10]
De opmars hervat op 18 september
Pas vijf uur later, na een korte nachtrust, hervatte het 3rd Parachute Battalion de opmars en boog af naar station Oosterbeek-Laag om vervolgens de Benedendorpseweg te volgen. De meeste jeeps bevonden zich in de achterhoede, terwijl Urquhart en Lathbury in het voorste gedeelte van de kolonne liepen.
Tegen 07.00 uur op maandagmorgen kregen ze te horen dat A Company en het grootste gedeelte van HQ Company het tempo niet hadden kunnen bijhouden en een verkeerde weg waren ingeslagen. Slechts een groep geniesoldaten, B Company, een anti-tank kanon plus bemanning en enkele stafofficieren waren over gebleven.[11]
De voorhoede bevond zich al bij het Rijnpaviljoen en meldde dat er geen tegenstand was, maar werd desondanks teruggeroepen. Langs de Utrechtseweg werden een aantal huizen uitgekozen waar gewacht werd totdat de achterhoede zich weer zou aansluiten. Er werd kort een radioverbinding tot stand gebracht met C Company en majoor Lewis rapporteerde dat zijn eenheid via de spoorlijn Arnhem was binnen getrokken. Zij vroegen om extra munitie en luitenant-kolonel Fitch beloofde dat die zou worden meegenomen zodra A Company en HQ Company zich hadden aangesloten.[12] Rond het middaguur kwam er radio contact met A Company. Lathbury schreef hier later over:[13]
“This was done about 12.30 and it was discovered that they were not across the railway, but together with 2 coys of 1 Bn, were staging an attack on the area of “De Brink” and south of it (………….) it came as something of a shock to find that the enemy was so strong just west of us. Lt.Col. Fitch emphasized to Major Dennison, CO A Coy, that it was vital he should reach us, as he had with him two carrier loads of reserve ammunition, badly needed at the bridge.”
Alle verbindingen falen
Het duurde uiteindelijk tot 14.30 uur voordat luitenant Herbert Burwash arriveerde met ongeveer 40 manschappen van A Company en het 3rd Battalion Defence Platoon. Ook kwamen er ongeveer 10 soldaten van het 1st Parachute Battalion met hen mee en twee bren carriers volgeladen met munitie.[14] In een van de carriers zaten de Canadese luitenant Leo Heaps en de Nederlander Charles Labouchère, een lid van de ondergrondse. Heaps vertelde Urquhart dat hij werd vermist:[15]
“Urquhart probeerde via onze radio verbinding met zijn commandopost te krijgen, maar dat lukte niet. Hij gaf mij verscheidene berichten voor zijn plaatsvervangend divisiecommandant, brigade-generaal P.H. (Pip) Hicks, en zijn officier operatiën, luitenant-kolonel Charles Mackenzie. Ik gaf hem van mijn kant inlichtingen over wat ik van de toestand gezien had. Urquhart beval mij, naar later bleek terecht, niet naar de brug door te stoten; zijn berichten voor de divisiestaf waren nu van meer belang.”
Brigade-generaal Lathbury herinnerde zich die ontmoeting echter heel anders:[16]
“The G.O.C. [Urquhart] was able to get a message through to Div. HQ on the officers set. He had put up a very fine effort in reaching us at all and had made an unsuccessfull effort to get ammunition to the bridge. He said he would renew the attempt after dark.”
Die avond werd de volgende aantekening gemaakt in het divisiedagboek:[17]
“2330 – (…………….) GOC and Comd 1 Para Bde reported with 2 Para Bn near br 7476.”
Dit bericht was onjuist aangezien Lathbury en Urquhart zich niet bij het 2nd, maar bij het 3rd Parachute Battalion bevonden. Vreemd genoeg werd er geen vermelding gemaakt in het dagboek van het divisiehoofdkwartier van Urquhart’s terugkeer op zondagmiddag van zijn bezoek aan de 1st Airlanding Brigade.
Ook werd er niets opgeschreven over het radiocontact dat hij om 15.00 uur op maandagmiddag had met seiners van het divisiehoofdkwartier. De afwezigheid van het hoofd van de inlichtingendienst, Majoor Hugh P. Maguire, die door een noodlanding in Engeland op zondagmiddag pas op maandagmiddag zou arriveren kan hier mee te maken hebben gehad. Het was immers Maguire’s taak om het oorlogsdagboek bij te houden.
Na de aankomst van Burwash en het vertrek van Heaps en Labouchère werd de opmars naar de brug hervat. Luitenant-kolonel Fitch en brigade-generaal Lathbury hadden eerder al besloten om de opmars naar de brug via de spoorlijn te vervolgen, net zoals C Company had gedaan. Het restant van A Company en het Battalion Defence Platoon onder luitenant Burwash marcheerde voorop, maar werd aan het einde van de Mauritsstraat tegengehouden door mortiervuur en zware machinegeweren van de Duitsers die zich langs de spoorlijn hadden ingegraven.[18]
Urquhart en Lathbury rennen Lombok in
Lathbury stelde voor aan generaal-majoor Urquhart om te proberen terug te keren naar het divisiehoofdkwartier waar ze leiding konden geven aan de gevechten in plaats van bij het 3rd Parachute Battalion te blijven. Kapitein William Taylor, Lathbury’s inlichtingenofficier die hem had vergezeld, ging met hen mee. Maar in plaats van naar het westen te rennen sprintten ze de verkeerde kant op. Een pelotonscommandant, luitenant James A.S. Cleminson, riep hen na dat ze recht op de Duitse positie afrenden. Cleminson realiseerde zich dat ze hem niet konden horen en rende hen achterna.
Lathbury in huis Alexanderstraat 135
Ze kwamen terecht in het netwerk van kleine straten aan de oostkant van de Oranjestraat. Terwijl ze een van de straten probeerden over te steken werd Lathbury door een kogel getroffen in zijn rug. De
andere drie sleepten hem het eerste huis op de hoek van de Alexanderstraat
(nummer 135) binnen. Een Duitser verscheen bij de deuropening en werd direct doodgeschoten door luitenant Cleminson en generaal-majoor Urquhart.
Lathbury bleek tijdelijk te zijn verlamd doordat de kogel vlak naast zijn ruggegraat was ingeslagen en werd in de kelder gelegd. De bewoners, een echtpaar van middelbare leeftijd, beloofde hem naar het ziekenhuis te brengen.[19]
De Duitsers waren in de wijk Lombok waar het de Britse officieren zich bevonden extra alert, omdat er eerder die dag Nederlandse gevangenen waren vrijgelaten uit de Koepelgevangenis. Deze droegen kakhi kleurige overalls en werden dan ook beschoten door de Duitsers. Hoewel de meesten van hen ontkwamen werden er enkelen van hen gedood in de Alexanderstraat en bij de Zwarteweg.
Urquhart in huis Zwarteweg 14
Het opduiken van de Duitse soldaat bij de voordeur toen ze Lathbury binnenbrachten was voor de drie officieren voldoende aanleiding om te besluiten verder te gaan. Door de achtertuin zetten ze hun tocht voort, hoewel het nu meer weg had van een vlucht. Luitenant Cleminson herinnerde zich later:[20]
“Not surprisingly, the Germans thought they had us in a trap and surrounded the block of houses and started to beat it like a pheasant drive. The General, Intelligence Officer and myself got into another house and, again very courageously, the Dutch showed us the way up into the attic, shut the attic door, and swore to the Germans, who of course searched the house, that we had never been there.”
Dit huis was de Zwarteweg 14, bewoond door Anton en Anna Derksen en hun kinderen Jan en Hermina.[21] Een paar uur later, tegen het invallen van de duisternis, wilde Urquhart opnieuw proberen om naar het divisiehoofdkwartier te bereiken. Cleminson en Taylor wisten hem hiervan te weerhouden. Kort daarna stopte een Duits gemotoriseerd kanon voor het huis. Van een nieuwe poging kon dus geen sprake zijn.
Terug op het divisiehoofdkwartier
De volgende ochtend rond half zeven arriveerden soldaten van het 11th Parachute Battalion. Zij dreven de Duitsers terug en de drie officieren verlieten direct hun schuilplaats. In hun haast om naar buiten te gaan vergaten ze een Stengun.[22] Luitenant James Cleminson nam afscheid en ging op zoek naar het 3rd Parachute Battalion. Luitenant Eric Clapham, een officier van de 1st Airlanding Anti-Tank Battery, bracht kapitein Taylor en generaal-majoor Urquhart naar het divisiehoofdkwartier, waar ze om 07.25 uur aankwamen.[23]Hoewel hij de vorige dag nog berichten had doorgestuurd werd Urquhart ontvangen alsof hij uit de dood was opgestaan. Luitenant-kolonel Charles Mackenzie, een van zijn stafofficieren, begroette hem veel betekend:[24]
“We hadden al aangenomen, generaal, dat u voor goed weg was.”
[1] Robert E. Urquhart, De Slag om Arnhem (Leiden 1964) 51
[2] Niall Cherry, ‘Urquhart and Lathbury; a tale of two commanders’, Ministory No.80 in: Nieuwsbrief No. 92 Vereniging Vrienden van het Airborne Museum, December 2003.
[3] Urquhart, De Slag om Arnhem, 51.
[4] Martin Middlebrook, Arnhem 1944: The Airborne Battle, 128.
[5] Brigadier Gerald W. Lathbury, Operation Market. Story of 1st Parachute Brigade, November 1944.
[6] Urquhart, De Slag om Arnhem, 60.
[7] Brigadier Gerald W. Lathbury, Operation Market. Story of 1st Parachute Brigade, November 1944..
[8] Ibid.
[9] Middlebrook, Arnhem 1944: The Airborne Battle, 136
[10] Ibidem.
[11] Middlebrook, Arnhem 1944: The Airborne Battle, 171.
[12] War Diary 3rd Parachute Battalion, 18 September 1944.
[13] Lathbury, Operation Market. Story of 1st Parachute Brigade, November 1944.
[14] Ibidem.
[15] Leo Heaps, De gans is gevlogen (Bussum 1976) 41.
[16] Lathbury, Operation Market. Story of 1st Parachute Brigade, November 1944.
[17] War Diary 1st Airborne Division Headquarters, 18 September 1944.
[18] Theodoor A. Boeree, De Slag bij Arnhem (Ede 1948) 91.
[19] Cherry, ‘Urquhart and Lathbury; a tale of two commanders’.
[20] Ibidem.
[21] Cornelius Ryan, Een brug te ver, (New York 1974) 348
[22] Urquhart, De Slag om Arnhem, 95.
[23] Middlebrook, Arnhem 1944: The Airborne Battle, 194.
[24] Urquhart, De Slag om Arnhem, 97.



