10 Koepelgevangenis
De gevangenis aan de Wilhelminastraat in de wijk Lombok aan de westkant van Arnhem staat bekend onder de naam Koepelgevangenis of kortweg Koepel. Tijdens de oorlog maakten de Duitsers gebruik van de Koepel. Zo zaten er in 1944 ook verzetsmensen in de Koepel opgesloten, die voor het verzet van dermate belang waren dat ze bevrijd moesten worden. Twee geslaagde bevrijdingsacties in mei 1944 worden beschreven. Bij de tweede actie zou de verzetsman, die bekend stond onder zijn schuilnaam Frits de Zwerver, worden bevrijd. Tijdens de slag om Arnhem werd op enkele momenten rondom de Koepel gevochten tussen Engelsen en Duitsers. Dit leidde twee keer tot vrijlating van groepen strafgevangenen. Hoe zij hun weg naar de vrijheid zochten wordt in dit verhaal verteld. Verder over een groep van 27 arbeiders die voor de Duitsers moesten werken op vliegveld Deelen, die bij de gevechten in het nauw raakte. Ook zouden ongeveer 600 vluchtelingen een schuilplaats zoeken in de Koepel tijdens de slag om Arnhem.
Voorgeschiedenis van de Koepel
Een van de markante negentiende eeuwse bouwwerken die Arnhem nog telt is de gevangenis, beter bekend als ‘de Koepelgevangenis’ of ‘de Koepel’. Deze gevangenis werd in 1882 ontworpen door architect Johan Frederik Metzelaar die eveneens de gevangenissen in Breda en Haarlem ontwierp. Het pand werd tussen 1882 en 1886 gebouwd aan de Wilhelminastraat in de nieuwe stadswijk Lombok en bood plaats aan 189 gedetineerden.
In de Koepelgevangenis werden, en worden nog steeds, ook gearresteerde verdachten opgesloten in afwachting van hun proces. Ook tijdens de oorlogsjaren bleef de gevangenis in gebruik.
Gebruik van de Koepel door de Duitsers
De Duitsers lieten vanaf 1941 niet alleen vermeende misdadigers opsluiten, maar ook leden van het verzet. De Geheime Staats Polizei (Gestapo) liet in dat jaar al enkele gevangenen overbrengen naar de strafgevangenis in Scheveningen of naar gevangenissen in Duitsland om te worden verhoord. Deze gevangenen keerden meestal niet terug naar de Arnhemse gevangenis.[1]
Het aantal gevangenen in de Koepelgevangenis nam tijdens de oorlogsjaren steeds meer toe. In 1942 waren dit nog een kleine 200, maar het aantal gevangenen zou uiteindelijk stijgen tot 249 in september 1944 – zestig gevangenen meer dan er normaal konden worden gehuisvest. De gevangenen droegen khaki overalls en in de meeste
cellen zaten twee mannen in plaats van één.[2] Sommige cellen bevatten zelfs drie gedetineerden.[3]
De Koepelgevangenis diende tijdens de Duitse bezetting ook als doorgangsplaats voor gevangenen die per trein uit Duitsland werden aangevoerd. Meestal werden zij direct doorgezonden naar andere gevangenissen of naar de Rijkswerksinrichting in Veenhuizen. Honderd gevangenen werden op 1 maart 1944 voor een dag tewerkgesteld op het vliegveld Deelen ten noorden van Arnhem dat door geallieerde bommenwerpers was gebombardeerd.[4] Doordat het vliegveld steeds vaker werd gebombardeerd werd er uiteindelijk besloten om een kleinere groep gevangenen permanent op de vliegbasis te plaatsen om bomkraters te dichten en bomscherven op te ruimen.
Overvallen door het verzet op de Koepel
In 1944 vonden twee overvallen plaats op de Koepelgevangenis waarbij een belangrijke verzetsman werd bevrijd. De eerste overval vond plaats op 18 februari toen een klein aantal Nijmeegse verzetsleden vermomd als Sicherheitsdienst (SD) personeel beweerde een arrestant – een van hun gearresteerde verzetsleden – te komen ophalen voor verhoor. De overval slaagde en de verzetsman werd bevrijd.
Op 11 mei 1944 vond de meest spectaculaire overval op de Koepelgevangenis plaats door een grotere, landelijke verzetsgroep. Zij slaagden er in om twee gevangen verzetsmensen te bevrijden. In het register van de
Koepelgevangenis werd de volgende
aantekening gemaakt over de geslaagde
overval:[5]
11.05.1944 “Heden te 20.00 uur heeft een gewapende overval plaatsgehad op de Strafgevangenis door 8 à 10 bewapende personen, waarvan 2 in uniform van marechaussee en 1 persoon als pseudo-geboeide-gevangene. Het lukte den overvallers twee personen uit het gesticht te ontvoeren, die waren opgesloten op last van de Sich. Po.”
Een van de twee bevrijde gevangenen was dominee Frits Slomp uit het dorp Heemse bij Hardenberg (Overijssel). Slomp was een gereformeerd predikant die een actieve rol vervulde in het verzet. Hij regelde schuiladressen voor onderduikers, schreef illegale brochures om op te roepen tot verzet tegen de Duitsers en richtte eind 1942 de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) op. De Sicherheitsdienst (SD) kwam achter zijn schuilnaam, Frits de Zwerver, en probeerde hem maandenlang tevergeefs op te sporen.
Op 1 mei 1944 liep Frits Slomp tijdens een persoonsbewijscontrole in Ruurlo tegen de lamp: zijn persoonsbewijs bleek vals te zijn. Ook werd een illegale brochure in zijn jas gevonden. Hij werd gearresteerd en via het politiebureau in Lochem doorgestuurd naar de Koepelgevangenis in Arnhem. Een betrouwbare politieagent die Slomp herkende stuurde een boodschap naar het plaatselijke verzet in Lochem om hen op te hoogte te brengen van Slomps arrestatie.
De leiding van de LO begreep dat het gevaarlijk kon worden als hij door de SD zou worden verhoord en besloot hem te bevrijden uit ‘de Koepel’. Via bewaker Joop van Veldhoven werd informatie verkregen over zijn verblijfplaats en het gebouw. Het plan werd gemaakt om Slomp in de middag van 12 mei te bevrijden op het moment dat weinig personeel aanwezig zou zijn.
In de middag van 11 mei bleek echter dat Slomp de volgende morgen al op transport zou worden gesteld. De overval werd daarom noodgedwongen vroeg in de avond uitgevoerd. Twee Twentse verzetsmensen[6], verkleed als Nederlandse politieagenten, meldden zich met een
“arrestant”[7] bij de ingang van de gevangenis. Ze maakten de dienstdoende portier wijs dat ze hun arrestant naar Nijmegen moesten brengen, maar dat ze daar niet op tijd konden zijn. Konden ze hem niet voor één nacht in de Koepelgevangenis laten opsluiten?
De portier opende zonder argwaan de poort van de gevangenis en keek een moment later naar drie pistoollopen. Frits Slomp en de Twentse verzetsman Henk Kruithof van de LO werden uit hun cel gehaald en per auto naar Oosterbeek gebracht. Daar vandaan verspreidde de groep zich weer en werden de bevrijde gevangenen naar onderduikadressen gebracht.[8] Beide gevangenen bleven ondergedoken tot het einde van de oorlog.
Koepel tijdens de Slag om Arnhem
In september 1944 lag de Koepelgevangenis vlak bij de opmarsroute van het 3de Britse Parachutistenbataljon dat naar de verkeersbrug in Arnhem optrok. Zondagochtend 17 september bombardeerden Britse bommenwerpers enkele doelen in Arnhem en enkele stukken luchtdoelgeschut in en rond de stad. De Willemskazerne was een van de gebouwen die werden getroffen tijdens het bombardement. Een paar uur later, kort na het middaguur, kwamen er ten westen van Arnhem zweefvliegtuigen en parachutisten naar beneden. De bevrijding leek te zijn aangebroken voor de gevangenen in de Koepelgevangenis.
Dood van portier Michels
De euforie veranderde toen in de vroege avond een vuurgevecht uitbrak tussen Britse parachutisten en Duitse soldaten in de Wilhelminastraat. De Nijmeegse portier Frederik Michels schoof het luikje van de gevangenispoort open om naar buiten te kijken. Omdat het buiten al bijna donker was en er licht brandde in het portiersgebouw viel zijn gezicht goed op. Britse soldaten openden prompt het vuur op het open luik. Dodelijk getroffen zakte Michels ineen en overleed kort daarna.
In het register van de Koepelgevangenis werd dit tragische voorval ook vermeld:[9]
17.09.1944 “Hedenavond te p.m. 20.00 uur werd de bewaarder M., die zich in de portiersloge bevond, doodelijk getroffen, tijdens de straatgevechten in de Wilhelminastraat tusschen Duitsche- en Engelsche voorposten.”
Arbeiders voor vliegveld Deelen in het nauw
Tijdens de nacht van 17 op 18 september werd het rustiger, maar op maandagmorgen barstte het oorlogsgeweld weer in alle hevigheid los. Een groep van 27 gevangenen die op het militaire vliegveld Deelen de startbanen moest repareren en daar was gehuisvest werd door de Duitsers teruggestuurd naar de Koepelgevangenis. Onder begeleiding van enkele gevangenisbewakers werden ze afgemarcheerd naar Arnhem.[10]
Toen ze de Noordelijke Parallelweg bereikten werden ze beschoten door een groep Duitse soldaten die zich juist aan het ingraven waren langs de noordelijke kant van de spoorlijn. Omdat de gevangenen net als hun medegevangenen in de Koepelgevangenis khaki kleurige overalls droegen zagen de Duitsers hen aan voor Engelsen. De bewakers wisten de Duitsers snel te overtuigen dat ze met Nederlandse politie agenten en gevangenen te doen hadden en er vielen geen doden en gewonden. Via de brug over de spoorbaan bij de Oranjestraat kwamen zij uiteindelijk in de gevangenis aan.[11] Er bevonden zich nu 275 gevangenen in de gevangenis. Eén gevangene lag in een Arnhems ziekenhuis met een blindedarm- en buikvliesontsteking.
De gevechten langs de Utrechtseweg namen toe rond het middaguur toen de Duitsers een tegenaanval uitvoerden met infanteristen, gesteund door gemechaniseerde kanonnen. In de vroege middag zetten de Duitsers ook hun mortieren in en er begon een onophoudelijke granaatbeschieting.[12]
Eerste vrijlating van strafgevangenen
De gevangenisdirecteur, A. Zondag, besloot de celdeuren van de minder zwaar veroordeelden te openen. Hij gaf de gevangenen de keus om te blijven in de gevangenis of om de gevangenis te verlaten. Ze waren in ieder geval vrij, omdat hij hun veiligheid niet meer kon garanderen. Het magazijn met de burgerkleding van de gevangenen lag echter onder vuur en kon niet worden bereikt. De bewakers raadden hen daarom aan om te blijven tot het rustiger werd en ze hun burgerkleren konden aantrekken.
Een twintigtal gevangenen besloot echter meteen de gevangenis te verlaten. Op houten klompen en met hun khaki overalls nog aan verlieten ze de gevangenis. De meeste gevangenen besloten rechtsaf te gaan en liepen naar de Utrechtseweg of richting de Alexanderstraat, parallel aan de Utrechtseweg. Enkelen besloten via de Zuidelijke Parallelweg te lopen richting het westen, naar de Britse bevrijders toe.[13]
In de Alexanderstraat openden de Duitsers het vuur op de gevangenen, omdat ze dachten dat de Engelsen verder marcheerden. Enkele gevangenen werden dodelijk getroffen en de overigen verspreiden zich. De negenenvijftigjarige Joseph H. van Vijnck was een van de gevangen die via de Zuidelijke Parallelweg naar het westen probeerde te ontkomen. Hij was een rijwielhandelaar in Amsterdam die vanwege heling tot vijftien maanden celstraf was veroordeeld. De groep van Van Vijnck werd terug gestuurd door de Engelsen.
De Alexanderstraat konden ze niet in want er was een vuurgevecht aan de gang. Ze besloten tenslotte om de Utrechtseweg over te steken en via de Klingelbeekseweg naar Oosterbeek te lopen. Voordat ze echter bij station Oosterbeek-Laag kwamen werden ze door poelier Posthouwer, die aan de Klingelbeekseweg woonde, tegengehouden.[14] Het zou te gevaarlijk zijn om verder te gaan volgens Posthouwer, want de Britse parachutisten bij het viaduct en het station vielen de nabij gelegen steenfabriek aan. Bovendien hield de Duitse linie hier op – als ze verder liepen kwamen ze in het stuk niemandsland tussen de Duitsers en de Britten terecht.
De gevangenen besloten om zich op te splitsen. Van Vijnck liep met een metgezel naar het noorden en kwam terecht op het landgoed Mariëndaal in Oosterbeek. Beiden werden na de gevechten dood aangetroffen en in een veldgraf in het bos begraven. Na de bevrijding zijn zij als onbekenden in een verzamelgraf op de Algemene Begraafplaats Zuid in Oosterbeek herbegraven.
Tweede vrijlating van strafgevangenen
Op 19 september 1944 probeerden Britse parachutisten nog een keer aan te vallen richting de verkeersbrug in Arnhem om hun omsingelde kameraden van het 2de Parachutistenbataljon en enkele kleinere groepen te ontzetten. De gevangenis lag opnieuw onder artillerievuur en de gevangenisdirecteur besloot om alle gevangenen uit hun cel te laten halen. In het register van de gevangenis werd de volgende aantekening gemaakt:[15]
19.09.1944 (…………) Den gedetineerden werd aangeraden voor eigen veiligheid voorloopig in het gesticht te blijven en medegedeeld, dat zij, die niettemin wilden vertrekken dit geheel deden op eigen risico. Van de 250 gevangenen bleven echter 57 man vrijwillig in het gesticht achter.”
Het merendeel van de vrijgelaten gevangenen werd echter buiten de gevangenis direct aangehouden door Duitse militairen en overgebracht naar de Ortskommandatur aan de Apeldoornseweg in Arnhem. Via de marechausseekazerne in Arnhem werden ze in vrachtwagens naar de strafgevangenis in Zutphen vervoerd. Enkele gevangenen die niet werden aangehouden kwamen om tijdens de gevechten in en rond de Alexanderstraat.[16]
Een groep van ongeveer vijftig gevangenen slaagde er in om via de Klingelbeekseweg en het station Oosterbeek-Laag het centrum van Oosterbeek te bereiken. Hier werden ze bij een Britse commandopost bij de kerk aan de Benedendorpseweg tegengehouden en gearresteerd. Twee leden van het verzet, Jan ter Horst en Ir. F. de Soet, brachten de groep gevangenen over naar een school. Deze verblijfplaats bleek echter niet veilig te zijn en de gevangenen wilden zo snel mogelijk naar huis.[17]
De Soet belde het politiebureau in Oosterbeek, maar door de gevechtshandelingen was het niet mogelijk om hulp te verwachten van agenten. Jan ter Horst herinnerde zich later:
“In Oosterbeek-Laag zijn de vrijgelaten gevangenen overgezet over het Drielse veer. Ik zelf bediende de veerpont daar de veerbaas [Peter Hensen] binnenshuis bleef. Nooit heb ik van ook maar één vrijgelaten gevangene iets over hun lot vernomen.”[18]
Burgers schuilen in de Koepel
Dezelfde dag dat de meeste gevangenen de gevangenis verlieten zochten veel burgers uit de wijk Lombok bescherming in de Koepelgevangenis. Ongeveer 600 burgers werd ondergebracht in cellen op de begane grond en de eerste etage. De volgende dag werd portier Michels begraven op het gevangenisterrein voor het kerkgebouw.[19] Het was inmiddels een stuk rustiger geworden doordat de Britse airbornes waren teruggedrongen tot in Oosterbeek, met uitzondering van de parachutisten bij de verkeersbrug.
Zaterdagavond 23 september gaven de Duitsers de opdracht om de gevangenis binnen een uur te evacueren. De gevangenis werd uiteindelijk in mei 1945, na de bevrijding, weer in gebruik genomen. De oorlogsschade van het gevangeniscomplex was eind 1945 pas hersteld.[20] Geen van de vrijgelaten gevangenen werd na de oorlog nog opgeroepen om de rest van hun straf of voorarrest uit te zitten. Het exacte aantal dodelijke slachtoffers onder hen is niet bekend. Het waren er waarschijnlijk enkelen.[21]
Onderzoek naar vermissing Van Vijnck in 1995 gestart
In 1995 startte een achterneef van de eerder genoemde Van Vijnck, Peter Danz, in overleg met een zoon van Van Vijnck een zoektocht naar de vermiste Joseph. Uit allerlei documenten en via ooggetuigen bleek dat een van de twee onbekenden een briefje bij zich had met de naam Van Vijnck erop toen hij werd gevonden en dat Vijnck aan een liesbreuk leed.
Op 28 februari 1997 werd er toestemming verleend om het massagraf te openen en werden de stoffelijke overschotten van de twee onbekende mannen opgegraven. Aan de hand van de verzamelde gegevens kon worden vastgesteld dat een van hen inderdaad Van Vijnck was.
Na drieënvijftig jaar was er eindelijk duidelijkheid ontstaan over de vermiste Van Vijnck. Hij werd op 2 mei 1997 opnieuw ter aarde besteld op de Algemene Begraafplaats Zuid in Oosterbeek. Dit keer onder zijn eigen naam.
Met dank aan:
- Jos Biever
- Peter Danz
- Geert Maassen
- Hans Timmerman
[1] G.J. Mentink (red.), 100 jaar Gastvrijheid in Onvrijheid. Gedenkboek 100 jaar Koepelgevangenis Arnhem (Arnhem 1986) 41.
[2] Brief Peter Danz aan Geert Maassen (Gemeentearchief Renkum), 18 februari 1996.
[3] E-mail Peter Danz aan Frank van Lunteren, 6 november 2006.
[4] Mentink (red.), 100 jaar Gastvrijheid in Onvrijheid. 43-44.
[5] Ibid.
[6] Dit waren Johannes ter Horst en Geert Schoonman. Laatst genoemde kwam uit Zaandam, maar had zich aangesloten bij de Twentse verzetsgroep van zijn vriendin. Jan Hof, De dubbele Slag in Arnhem. De KP-kraken van de Koepel en het Huis van Bewaring (Baarn 2004) 120-123.
[7] De zesentwintigjarige verzetsman Harrie Saathof deed zich voor als de arrestant. Jan Hof, De dubbele Slag in Arnhem, 120-123.
[8] Johan van Hulzen en Ad Goede, ‘Gevangenisdeuren zwaaien open’, deel I, II en III in: De Zwerver, 28 juni, 5 juli en 12 juli 1947.
[9] Mentink (red.), 100 jaar Gastvrijheid in Onvrijheid. 44.
[10] E-mail van Peter Danz aan William van Vijnck, 19 januari 1997.
[11] C.A. Dekkers en L.P.J. Vroemen, De Zwarte herfst; Arnhem 1944; de worsteling van mensen in oorlogstijd; authentiek relaas van ooggetuigen (Arnhem 1986) 63.
[12] War Diary 3rd Parachute Battalion, 18 September 1944.
[13] Brief Peter Danz aan Geert Maassen (Gemeentearchief Renkum), 6 februari 1996.
[14] E-mail Peter Danz aan William van Vijnck, 7 oktober 1996.
[15] Mentink (red.), 100 jaar Gastvrijheid in Onvrijheid. 45.
[16] Rapport Gemeente Politie Ede No.124H/1947, 11 februari 1947.
[17] Ir. F. de Soet, ‘De laatste dagen van het huis Vredenhof’, Niet tevergeefs (Arnhem 1946) 34-36.
[18] Brief Jan ter Horst aan Geert Maassen (Gemeentearchief Renkum), 1 april 1996.
[19] Michels werd op 26 november 1945 herbegraven op de begraafplaats Moscowa in Arnhem.
[20] Mentink (red.), 100 jaar Gastvrijheid in Onvrijheid. 45-46.
[21] Telefoongesprek Peter Danz en Frank van Lunteren, 5 november 2006.




