21 Nijmeegseweg

Na de geslaagde overval op de Koepelgevangenis door een Knokploeg van het verzet op 11 mei 1944 leek het onwaarschijnlijk dat er nog een keer verzetsmensen konden worden bevrijd uit de handen van de Duitsers. Toch werd het enkele weken later noodzakelijk om opnieuw een overval te beramen; ditmaal op het Huis van Bewaring aan de Walburgstraat.

Arrestatie Zwarts

In het Huis van Bewaring, dat stond op de plaats waar anno 2007 het Paleis van Justitie is te vinden, werden  gearresteerde verdachten opgesloten in afwachting van hun proces. Ook tijdens de oorlogsjaren bleef het gebouw als zodanig in gebruik. Met de komst van de Sicherheitsdienst (SD) naar Arnhem in 1941 werden er niet alleen vermeende misdadigers opgesloten, maar ook leden van het verzet. De Sicherheitsdienst en de daaraan verbonden Sicherheitspolizei (SIPO) hielden zich vooral bezig met het opsporen, arresteren en hardhandig ondervragen van (joodse) onderduikers en het oprollen van verschillende verzetsgroepen. Daarbij werden soms ook informanten gebruikt. Als een verzetsman eenmaal in handen van medewerkers van de SD viel schuwden zij weinig middelen en methoden om hun slachtoffer aan het praten te krijgen.

De SIPO was daarom kort na de bevrijding van dominee Frits Slomp en Henk Kruithof uit de Koepelgevangenis een onderzoek begonnen naar de identiteit van de overvallers. Beide mannen waren naar de villa ‘t Hemeldal in Oosterbeek gebracht. Dit rusthuis werd gebruikt als hoofdkwartier van de Gelderse afdeling van de Landelijke Knokploeg (LKP), dat na de overval op de gevangenis uit veiligheidsoverwegingen was verplaatst. Enkele documenten die waren gebruikt voor de bevrijdingsactie lagen er echter nog wel.[1]

Binnen twee weken wisten medewerkers van de SD waar ze moesten zoeken. Een gearresteerde onderduiker sloeg tijdens een van zijn verhoren door en noemde de naam van Eef Zwarts, de eigenaar van rusthuis ‘t Hemeldal.[2] Zwarts had de man aan een persoonsbewijs en bonkaarten geholpen. Hij werd dan ook gearresteerd. De auto die was gebruikt om Slomp en Kruithof naar Oosterbeek te brengen, werd door de Duitsers gevonden, net als instrumenten om valse persoonsbewijzen te maken.

Evert Boven, de leider van de Gelderse afdeling van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), die de schuilnaam Nico gebruikte, stelde LKP-leider Liepke “Bob” Scheepstra op de hoogte van de arrestatie van zijn oom Eef Zwarts. Het was van het grootste belang dat Zwarts zo snel mogelijk werd bevrijd, want hij wist vrijwel alles over de Koepelkraak, de organisatie van de LO en van de LKP. Scheepstra waarschuwde direct gevangenisonderwijzer Joop van Veldhoven, die niet alleen in de Koepelgevangenis werkzaam was, maar ook in het Huis van Bewaring. Van Veldhoven was een bekende informant van het verzet; hij verklaarde zich direct bereid om met Eef Zwarts te praten als hij werd overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Walburgstraat.[3]

Drie mislukte overvallen

Scheepstra formeerde intussen een nieuwe overvalgroep, bestaande uit LKP-leden uit Twente en de Betuwe. De groep uit de Betuwe stond onder leiding van Johannes van Zanten en zou de LKP groep uit Utrecht vervangen die aan de overval op de Koepelgevangenis had deelgenomen. In Oosterbeek en Wolfheze werd het plan voorbereid en bij Hendrika Spieksma-Schuiling aan het Eusebiusplein, alias ‘tante Spiek’, uitgewerkt.[4] Het was de bedoeling om naast Eef Zwarts ook andere verzetsmensen te bevrijden, waaronder Marinus Ackerstaff uit Dieren, die een drukkerij beheerde waar illegale kranten werden vervaardigd.

Een plattegrond van het Huis van Bewaring en omgeving, met ingetekend de opzet en uitvoering van de eerste bevrijdingspoging op 30 mei 1944. De illustratie is afkomstig uit het artikel ‘Gevangenisdeuren zwaaien open’, deel IV, geschreven door Joh. van Hulzen en Ad Goede, in het tijdschrift De Zwerver van 19 juli 1947. (Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 298)

Op de avond van 30 mei 1944, Tweede Pinksterdag, werd de bevrijdingsactie uitgevoerd. Er zouden dan relatief weinig bewakers aanwezig zijn. De Betuwse groep van Johannes van Zanten, onder leiding van Joop Abbink en Bob Scheepstra, probeerde over de vier meter hoge buitenmuur aan de oostzijde van het Huis van Bewaring binnen te komen, terwijl de drie Twentse Knokploegleden Johannes ter Horst, Harrie Saathof en Geert Schoonman een poging waagden via een hek bij de Grote Markt. Een oplettende bewaker gooide bij deze poging roet in het eten toen Scheepstra een tweede ladder aan de binnenzijde van de gevangenismuur wilde laten zakken. Twee schoten misten rakelings het doel, maar betekenden wel het einde van de actie.

Hoewel alle overvallers wisten te ontkomen hadden de drie Twentse Knokploegleden pech. Hun auto werd bij het SS-kamp Avegoor door een Duitse patrouille tot stoppen gemaand. Chauffeur Schoonman remde af, maar gaf vol gas toen ze de patrouille vrijwel genaderd waren. Om verdere patrouilles te ontlopen overnachtten ze op het landgoed ‘Beele’ bij Voorst.

De volgende ochtend sloeg het noodlot toe. Het landgoed bleek gevorderd te zijn door de Duitsers, zo vertelde een boer hen. Het drietal besloot weg te rijden, maar werd al snel staande gehouden door een Duitse officier met een hond. Een korte schermutseling had tot gevolg dat  zowel de Duitser als Saathof een beenwond opliep. Omdat de Duitse officier hen van dichtbij had gezien, schoot Schoonman hem nog een keer, dit maal in zijn hartstreek.[5] Het drietal wist te ontkomen en Saathof bij een dokter af te leveren.[6]

Een tweede poging werd beraamd voor de nacht van 4 op 5 juni. Ditmaal hadden Scheepstra en Ter Horst met een bevriende politieagent gesproken, die hen het adres gaf van een bewaker die wel wilde meewerken. Het plan was om opnieuw het hek bij de Grote Markt over te klimmen, op het platte dak naast het Gerechtshof te gaan liggen, en dan op de binnenplaats de bewuste bewaker te treffen. De uitvoering werd opnieuw een grote teleurstelling. Op de binnenplaats hoorden ze dat de bewaking was verscherpt; er zat niets anders op dan ook de tweede poging op te geven.[7]

Joop van Veldhoven, de gevangenisonderwijzer en bewaker die eerder informatie had doorgegeven, kwam met een derde plan voor een derde poging. Het huis van de directeur stond naast het Huis van Bewaring en vandaar uit kon men via een gang de gevangenis bereiken. Een van de verzetsmensen zou aanbellen en de directeur dwongen om de sleutels van de gevangenis te geven. Dit plan mislukte echter ook toen de als predikant vermomde Johannes ter Horst bij de directeurswoning aanbelde en van diens zoon vernam dat hij niet thuis was.[8]

Viermaal is scheepsrecht

Evert “Nico” Boven, de neef van Eef Zwarts, kwam met een nieuwe suggestie. Waarom zouden ze het niet overdag proberen? Op zondagmiddag 11 juni? Dan zou de directeur ongetwijfeld wel thuis zijn.[9] Klaas Hoogeboom, een van de naaste medewerkers van Scheepstra, herinnerde zich later van de voorbereiding:

“Het is juist dat in Oosterbeek en Wolfheze voorbereidingen zijn getroffen voor de overvallen, maar op het contactadres in Arnhem werden de plannen uitgewerkt bij Tante Spiek. We hebben daar ook een vluchtroute geregeld als het mis zou gaan. En samen met mijn verloofde en de vrouw van Scheepstra hebben we op het duikadres in Arnhem boven boekhandel Rupp in de Koningstraat de 100 enveloppen met f 10,- en een bonkaart klaar gemaakt.”[10]

De 100 enveloppen zouden worden uitgereikt aan de bevrijde gevangenen. Hiermee zouden zij ieder voor zich of in kleine groepjes buiten de stad begeven. Er namen negen personen deel aan de vierde poging: Johannes ter Horst, verkleed als dominee, Petertje van de Hengel als zijn vrouw en zeven KP-leden in burgerkleding. Dit waren Joop Abbink uit Apeldoorn, Piet Alberts uit Enschede, Dick van Harten uit Wierden, Koos Michel uit Zwolle, Piet Niewold uit Apeldoorn en Geert Schoonman uit Zaandam. Bob Scheepstra bleef in de buurt om de situatie in de gaten te houden en maakte enkele foto’s.[11]

De vierde poging had eindelijk succes; de directeur opende de deur en liet ‘dominee Rademakers en zijn vrouw’ binnen. Ter Horst trok een revolver terwijl de zeven andere verzetslieden ook binnenkwamen en de directeur dwongen om de sleutels van het Huis van Bewaring af te geven.[12] Joop Abbink was een van hen:

“Wij zijn allemaal het huis van de directeur binnengegaan. Koos en Dick van Harten hadden de opdracht om onmiddellijk door het huis te gaan naar boven en te controleren. (…..) We droegen gewone kleding. Ik had ook een regenjas; die werd veel gedragen. (…..) Ik ben toen in die portiersloge, dat was eigenlijk een kantoor en daar waren alle papieren, wat rond gaan snuffelen. Ik heb daar een lijst gezien van mensen die wasgoed brachten; maar geen papieren van waarde en toen ben ik snel naar binnen gegaan. Het was de bedoeling dat ik samen met Petertje van den Hengel naar de vrouwenafdeling zou gaan; dat was boven. Ik dacht dat ik toen al een stel sleutels had. Die andere jongens liepen toen al op de omgang en ik zag ook de bewakers staan. Het gevangenispersoneel heeft zich eigenlijk onmiddellijk overgegeven. Ze moesten de sleutels naar beneden gooien en daar heb ik ook een bos van opgepakt; het waren er vijf maar ik heb er twee aan Piet gegeven.

En toen ging het dagverblijf open (daar waren geen bedden) en stonden er allemaal dames in négligé, en toen schrok ik verschrikkelijk want dat was in die tijd iets heel bijzonders; daar hoorde je als heer niet naar te kijken. Er was een hele groep daarbinnen. Petertje heeft toen verteld dat ze bevrijd waren, dat ze zich aan moesten kleden en naar beneden moesten gaan. Ze waren totaal overstuur en zonder uitzondering stortten ze zich de trap af en er is er niet één achtergebleven. In tegenstelling tot de mannen, want toen wij weer beneden kwamen, hingen een heleboel van die knapen over de railing en stonden de zaak aan te kijken; de cellen waren opengegooid en ze kregen de kans om weg te gaan. En dan kwamen ze naar je toe van: “hebben jullie mijn persoonsbewijs?”

Er was ook een cel waar ontzettend op de deur werd gebonkt en die schreeuwden dat ze ook politieke gevangenen waren. Maar dat was niet aangegeven. Van Veldhoven (….) wist in welke cellen politieke gevangenen zaten.”[13]

De bevrijde gevangenen werden naar de woning van de directeur gebracht, waar ze van Scheepstra een envelop met daarin een bonnenkaart en f 10,- kregen. In groepjes van twee of drie gingen ze naar buiten en mengden zich onder de kerkgangers die uit de St. Eusebiuskerk kwamen.[14] Ook de overvallers maakten zich succesvol uit de voeten.

'Een originele foto van het vertrek van enkelen der bevrijders’ luidt het bijschrift van deze afbeelding in het artikel ‘Gevangenisdeuren zwaaien open’, deel VIII, geschreven door Joh. van Hulzen en Ad Goede (uit het tijdschrift De Zwerver van 16 augustus 1947; Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 298)
Bij het hiervoor genoemde artikel werd ook deze foto geplaatst: ‘Johannes ter Horst uit Twenthe, stapt na het gelukken van de overval, op de fiets’

In totaal ontsnapten 56 politieke gevangenen (veelal verzetsmensen), van wie er acht vrij snel weer achter tralies werden gezet. De overigen bleken vrijwel allemaal spoorloos voor de SD. Johan Sutterland was een van hen. Hij herinnerde zich na de oorlog

“Ik heb voorzichtig over de railing gekeken. De directeur stond met de handen omhoog en toen dachten we: we zullen het maar gokken. Het was bijzonder spannend; ik voel nog de spanning dat ik in dat portaaltje stond.”[15]

De 21-jarige theologiestudent Willem Dijckmeester en zijn vader, die burgemeester was geweest, zaten allebei vast in het Huis van Bewaring:

“Toen ik van de Utrechtseweg naar het Huis van Bewaring werd gebracht, heb ik gevraagd of ik in dezelfde cel als mijn vader kon, en toen kwam ik in de ziekencel (bij gebrek aan ruimte). Daar zaten 13 man. Heel verschillend van samenstelling. Er was een beroeps cavalerie-officier (ritmeester Bos), een bakker, nog een andere burgemeester [en], een missionaris (die was al vrijgelaten op het moment van de overval). We hebben daar een hele bijzondere samenleving gehad. Er was een soort van discipline. In de loop van de ochtend werd een uur lang gezwegen. Iedere avond was er een religieuze dagsluiting. Ik was toen halverwege mijn theologische studie, dus dat moest ik dan maar doen. Ik heb drie zondagen de kerkdienst geleid (ik heb daar van 10 mei tot 11 juni gezeten), gezweet voor dat gezelschap van 13 mensen; ik heb die preken nog.

Ook die zondagochtend ben ik nog voorgegaan in de cel. We hadden inmiddels f 10,-, een bonkaart en een sigaar gekregen. Toen liep ik met mijn vader over het Eusebiusplein en hij is toen naar tantes van mij (zijn nichten) in de Parkstraat gegaan en daar ondergedoken. En ik ben naar mijn zuster gegaan in de Huygenslaan en toen ben ik even verder aan die laan liefderijk opgenomen bij de familie Josselin de Jong. Ik kreeg een vals persoonsbewijs en ging verder als Wouter Dooier door het leven.

Na een aantal weken ben ik naar Het Gooi gefietst en ondergedoken en in een ondergrondse groepering terecht gekomen. Bob Scheepstra heeft de overval geleid. Hij heeft de Militaire Willemsorde, en bij de inhuldiging van Juliana op het bordes was hij een van de topfiguren die het vaandel mocht dragen.”[16]

De overval op het Arnhemse Huis van Bewaring is nog altijd de grootst geslaagde bevrijdingsactie van gevangenen uit een gevangenis in de Nederlandse geschiedenis.

Naar boven


[1] J. Hof, De dubbele slag in Arnhem. De KP-kraken van de Koepel en het Huis van Bewaring (Baarn 2004), 77.

[2] De naam van deze onderduiker is niet bekend.

[3] J. van Hulzen en A. Goede, ‘Gevangenisdeuren zwaaien open deel IV’, De Zwerver, 19 juli 1947 (Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 298).

[4] C. Janse, Blik Omhoog, 1940-1945. Wolfheze en de Zuid-Veluwe in oorlogstijd (Duiven, 2000), 337. Tante Spiek kwam uit Winterswijk en had nauw samen gewerkt met dominee Slomp.

[5] Deze Duitser was Richard Singenstreu, een Rijksduitser. Enkele dagen later werd hij in Arnhem begraven in het bijzijn van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart en de Generalkommissar für das Sicherheitswesen en tevens Höhere SS-und Polizeiführer Hanns Albin Rauter.

[6] Hof, De dubbele slag in Arnhem, 83-92

[7] Van Hulzen en Goede, ‘Gevangenisdeuren zwaaien open deel VI’, De Zwerver, 2 augustus 1947 (Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 298).

[8] Ibidem.

[9] Hof, De dubbele slag in Arnhem, 99

[10] Janse, Blik Omhoog, 337.

[11] Ibidem.

[12] Ibidem.

[13] Ibidem.

[14] Ibidem.

[15] Janse, Blik Omhoog, 1290.

[16] Janse, Blik Omhoog, 1287.

Taal/LanguageNLEN