24 Duivelshuis

Duitsers in de Koningstraat op zondag 17 september 1944

Het Duivelshuis werd net als het ernaast gelegen gemeentehuis en de St. Eusebiuskerk in september 1944 bij het oorlogsgeweld betrokken. De 67 jarige architect Hendrik Tiemens woonde in de Koningstraat 31 en had vanuit zijn woning goed zicht op de kerk en het Duivelshuis. Hij noteerde over de avond van de 17e september in zijn dagboek:

“We gaan nu voor allen rustplaatsen gereed maken in de kamer (….) en trachten gekleed om 9 uur te slapen (of wat te rusten). Door de politie wordt omgeroepen: ‘Maandag mag niemand op straat komen'. Van slapen komt niet heel veel. Om 1 uur verneemt Ad aan de deur dat de Engelschen in de stad zijn, door Oeverstraat en Broerenstraat en dat ze de brug bezet hebben. Eerst is het nog vrij rustig, dan straatgevechten, schieten. Markt, Eusebiusplein en diverse straten. De Willemskazerne brandt heel de nacht door, telkens hoort men ontploffingen. Ook op andere plaatsen zijn branden. Groote brand richting Eusebiusbinnensingel, ook richting Beekstraat.

In de Koningstraat wordt veel geschoten. Duitsche soldaten in de portieken, en in de gang naar Mensens, naast onze tuin. Ze mopperden dat de beloofde versterking niet komt. Later wordt ook met een kanon geschoten in de Koningstraat, naar de Markt. Gouvernementsgebouw. In de Menthenstraat zijn ook Engelsche soldaten geweest.”[1]

De vuurdoop van panzergrenadier Horst Weber

Onderschrift: De 18-jarige Horst Weber maakte tijdens de Slag om Arnhem zijn eerste gevecht mee als soldaat in het 21. SS-Panzergrenadier Regiment. Deze opname dateert uit 1943 toen hij als 17-jarige in Brünn werd opgeleid als SS-soldaat. (Foto via Horst Weber. Collectie Freedom Trail Arnhem, Gelders Archief)

De Duitse soldaten die Tiemens had gezien behoorden mogelijk tot de 1ste Kompanie van het 1ste Bataillon van het 21. SS-Panzergrenadier Regiment. Dit regiment maakte deel uit van de 10. SS-Panzer-Division “Frundsberg”, een ervaren Duitse pantsereenheid die in Frankrijk zware verliezen had geleden en minder dan 3.500 van de oorspronkelijk 15.000 manschappen over had. De meeste officieren van de divisie waren gedood, gewond of gevangengenomen. De eenheden waren uiteengeslagen in losse Kampfgruppen die ongeorganiseerd naar Nederland waren teruggetrokken. Daar zouden nieuwe rekruten, wapens en materieel uit Duitsland worden aangevoerd, om de divisie weer op te bouwen.

Enkele dagen voor de Slag om Arnhem waren enkele dozijnen soldaten van een kompagnie van het 1ste Bataillon van het 21ste SS-Panzergrenadier Regiment ondergebracht in Diepenveen. Van het 1ste Bataillon waren ongeveer tachtig man overgebleven, waarvan een deel dus in Diepenveen zelf lag en de rest in de omgeving van die plaats. Een van hen was de 18-jarige panzergrenadier Horst Weber. Hij had tot dusver nog niet deelgenomen aan de strijd. Wel was hij al in juli vanuit de Duitse legerbasis Brünn met anderen daarvandaan naar Frankrijk gestuurd. Na de vernietiging van de Frundsberg divisie aldaar was hij met andere manschappen onder leiding van Karl Stroppe in 2 treinwagons teruggereden naar Nederland. Onderweg veel stilgestaan door permanente beschietingen vanuit geallieerde vliegtuigen. Over wapens beschikten Weber en zijn jeugdige kameraden niet.

Horst Weber herinnert zich over die zondag 17 september:

“Enkele dozijnen manschapen van 1ste Bataillon waren gestationeerd in Diepenveen en kregen daar onderdak toegewezen. Ik verbleef in de herberg naast de kerk. Zondagochtend 17 september 1944 telde mijn groep ongeveer 30 tot 35 personen. We kwamen overal vandaan, sommigen waren radiotelegrafisten, anderen geweerschutters. De groep diende als een aanvulling om een nieuw 1ste Bataillon te formeren.

Zondags aan het begin van de middag kwamen allerlei vaartuigen aanrijden en hoorden we van de luchtlandingen: “De Engelsen zijn geland en ze willen de bruggen veroveren.” Geen van ons wist of hij een goede soldaat zou zijn. De meeste van ons hadden daar alleen drie maandenlang op de opleiding in Brünn voor geoefend. Omdat ik na die drie maanden nog drie perioden van drie maanden manschappen heb opgeleid was ik een jaar in Brünn geweest.”[2]

In vrachtwagens en auto’s die van de lokale bevolking en elders waren gevorderd werden de manschappen naar Arnhem gereden. Anderen gingen op de fiets, zoals Rudi Trapp. Horst Weber zat met ongeveer dertig andere in een grote vrachtwagen. De manschappen waren willekeurig over de voertuigen verdeeld en ze kenden elkaar niet of hooguit net van die drie dagen in Diepenveen. Er waren onder hen geen officieren.

Op de Velperweg in Arnhem stopten de vrachtwagens en moest de manschappen uitstappen.  Ze kregen het bevel van iemand die daar stond om lopend naar Arnhem te gaan. Op dat moment was nog niet duidelijk waar de Engelsen zich precies bevonden en werd verder rijden met de vrachtauto’s te gevaarlijk geacht. Weber kende enkele mensen in zijn groep, waaronder panzergrenadier Pochert die een Funkgerät op zijn rug droeg. Ze marcheerden, nog altijd ongewapend, onder de Velperpoort door richting het centrum van de stad. Daarbij liepen ze aan beide kanten van de Steenstraat en hielden ze een onderlinge afstand van ongeveer 5 meter aan. Weber had maar één gedachte: “wie kriegen wir die erste Feindberührung hin? Sofort agieren oder aus der Deckung reagieren?”

Plotseling klonk er van links een schot: Pochert viel dood voorover op straat. Een kogel was door zijn hart geschoten. Nergens was een spoor van de schutter te bekennen. Het was toen rond vijf uur in de middag. Britse parachutisten waren, naar nu blijkt, nog niet in de stad gearriveerd dus de schutter is waarschijnlijk een verzetsman geweest.

Het lichaam van Pochert werd op een kruiwagen geladen en meegenomen met de groep die verder liep, langs het Wehrmachtsheim (in Musis Sacrum) naar het Velperplein. Voor het gebouw van warenhuis V&D moesten ze stoppen. Weber werd daar aangewezen als commandant van de groep van 30 tot 35 manschappen en herinnert zich daarover:

“Een officier vroeg onze groep wie er de commandant van was. Een paar uit de groep riepen dat ik dat was. De officier vroeg me of dat klopte en toen ik ja had gezegd zei hij tegen me: ‘Jij neemt de leiding. Aan de andere kant van het plein ligt een stapel wapens. Zoek maar wat uit.’ Ook was er contact tussen de diverse groepen van manschappen en vonden er nog herverdelingen plaats.”[3]

Zodra iedereen een wapen en wat munitie had opgeraapt werd Weber gevraagd of hij misschien nog interesse had in een 7,5 cm anti-tankkanon (PAK) met twee bedieningssoldaten? Aandrijving voor het kleine stuk geschut, dat normaal achter een wagen wordt getrokken, was er niet. Weber nam het aanbod graag aan en liet het kanon voortduwen. Hij kreeg te horen dat hij richting de Grote Kerk moest lopen. Als marsroute werd opgegeven: door de Roggestraat en bij de tweede kruising linksaf de Koningstraat in. Een kaart was niet beschikbaar.

De soldaten vonden het volgens Weber maar niets dat ze met dat allegaartje de slag in werden gestuurd. Dat wil zeggen niet alleen slechte bewapening, maar ook dat de manschappen elkaar voor het overgrote deel niet kenden en daardoor niet op elkaar ingespeeld waren. Desondanks was het parool dat Weber zich herinnert: “Egal, viel Feinde, viel Ehre.” Ongeveer aan het eind van de middag bereikten ze de Koningstraat. Nederlandse burgers liepen op straat, maar stoven weg toen ze de groep SS soldaten zagen naderen. De groep van Weber was de eerste groep Duitsers die daar aankwam.

Amper de Koningstraat in gegaan werd hier de volgende Duitse soldaat dodelijk getroffen. Weber en zijn manschappen vermoedde dat er vanaf de torenspits van de Eusebiuskerk door een sluipschutter was geschoten. Het meegevoerde kanon werd in stelling gebracht en er werd een schot op de torenspits afgevuurd. Zie voor meer details hierover punt 25 Eusebiuskerk.

Rond 18.00 uur komt de groep van Weber op de Kippenmarkt aan. Daar houdt de groep halt en neemt de situatie in ogenschouw. Aan de zuidzijde van de Markt wordt geluid gehoord en lijkt er een beginnende brand te zijn. Daar is het dus niet veilig. Het Duivelshuis wordt door Weber gezien als een goede plaats voor de Gefechtsstand [4] van zijn groep. De manschappen worden in de omgeving van het Duivelshuis in stelling gebracht. Weber geeft de manschappen aanwijzingen.

De verkenning van Weber

Als het donker is gaat Weber laat op de avond op verkenningstocht. Hij wil het doel van de Engelsen, de Rijn en de brug zien. Om de kans om op Engelsen te stuiten zo klein mogelijk te maken besluit hij niet rechtstreeks via de Markt naar de Rijn te gaan. Hij neemt een omweg en gaat eerst een stukje in westelijke richting en loopt “mutig aber vorsicht” via de Rodenburgstraat naar de Rijn. Op ongeveer 50 meter afstand laat hij zich volgen door een Duitse soldaat om dekking te hebben. Overal is het rustig en Weber bereikt de Rijn ongestoord. Het is zo rustig dat hij tot aan de kademuur kan lopen om rustig in de Rijn te kijken. Links ziet hij de brug. Weber weet nu hoe zijn gevechtsterrein ligt ten opzichte van de brug. Weber keert terug naar het Duivelshuis, waarbij hij weer via de Rodenburgstraat gaat.

Die nacht zal de groep van Weber geen verdere activiteiten ontplooien.

Maandag 18 september 1944

Het Duivelshuis

De eerste opdracht van Weber is die ochtend de huizen in de Koningstraat te zuiveren van eventuele Engelsen. Je kunt je immers geen tegenstanders in de rug veroorloven. Met een aantal Duitsers trekt hij de Koningstraat in. Weber gaat dan met een paar man de huizen in om ze te controleren op Engelsen. Op straat blijven een paar andere Duitsers achter om hen te dekken. In een Kino treft Weber een groep Engelsen aan die tussen de banken liggen. Zonder tegenstand worden zij door Weber en zijn mannen gevangen genomen. Zij worden meegevoerd met de groep van Weber bij de verdere zuivering van de Koningstraat. Terwijl Weber de Koningstraat voor zijn rekening neemt, wordt door een andere Duitse eenheid de Beekstraat schoongeveegd. De Koningstraat is volgens Weber in de daaropvolgende dagen steeds gebruikt voor Nachschubb van manschappen en materiaal. “Immer wieder trafen kleine gruppen mannschaften ein die fragten wo sie hin mussten”.

Rond 10 uur in de ochtend staat Weber met zijn groep Engelsen gevangen – 12 tot 18 mannen groot –tussen het Duivelshuis en de Eusebiuskerk in. Hij weet niet goed wat hij met zijn gevangenen aan moet. Op dat moment is er over in gevangenschap genomen Engelsen nog niets geregeld bij de Duitsers in Arnhem. In het begin van de gevechten in Arnhem was er volgens Weber een hoog gehalte aan improvisatie aan de orde. Dan barst van dichtbij een oorverdovend artillerievuur van de Duitsers los. Het is weliswaar niet op hen gericht, maar ze kunnen daar toch niet blijven staan. Weber plaatst de Engelsen in een aantal nissen van de kerk en gaat kijken of er in het Duivelshuis een geschikte plek voor de gevangenen is. Hem lijkt de kelder van het Duivelshuis een geschikte plaats. De Engelsen worden daar rond 14.00 onder gebracht en zullen daar de komende twee dagen blijven. Later zullen meer gevangen hier worden ondergebracht en zullen er ook gewonde Engelsen worden verpleegd. Bij die verpleging is ook de Engelse legerarts James Logan betrokken geweest.

Hendrik Tiemens schreef op maandagavond 18 september in zijn dagboek:

“Geregeld wordt geschoten, geweer- en kanonvuur. We zijn den geheelen dag in huis, in de keuken en benedenkamer. Het minst gevaarlijke gedeelte van het huis. In de bovenvoorkamers is het, omdat het huis voorspringt voor de huizen in het meer zuidelijke gedeelte van de Koningstraat, gevaarlijk, omdat van de zijde van de Markt door de Engelschen geschoten wordt.

Des voormiddags werd geschoten op den toren. Ad zag juist dat een gedeelte van de bovenste balustrade werd weggeschoten en riep mij. Ik zag dat een tweede granaat den toren trof en op de oostelijke wijzerplaat (tusschen de cijfers IV en V) afketste. Geschoten werd uit oostelijke richting, vermoedelijk door de Duitschers die waarschijnlijk een uitkijkpost van de Engelschen op den toren veronderstelden. Voortdurend veel schieten, soms luchtgevechten (schieten van vliegtuigen) boven ons.”[5]

De gevechten bij het Duivelshuis en de Markt

Horst Weber na de Slag om Arnhem op de officiersschool in Praag, december 1944. (Foto via Horst Weber. Collectie Freedom Trail Arnhem, Gelders Archief)

Het gebied waarin de groep van Weber zich bewoog was klein en besloeg de Grote Markt, de Hofstraat, de Koningstraat, de Walburgstraat en het steegje naar de gevangenis.

In het portiek dat voor het Duivelshuis was aangebouwd was door Weber een zwaar machinegeweer geplaatst. Dit machinegeweer kon zowel de Walburgstraat als de Grote Markt bestrijken. Tegelijkertijd lagen de Duitsers hier zelf in goede dekking.

Weber wilde het Huis van Bewaring (HvB) in, omdat zij daar de aanwezigheid van Engelsen verwachten. Ze probeerden dit door met het eerder genoemde PAK de muur van de gevangenis kapot te schieten. Karl Stroppe ging met het geschut het kleine steegje dat vanaf de Walburgstraat naar de aanbouw achter het paleis van justitie liep. Aan beide zijden werd het steegje afgegrensd door hoge muren. Het steegje kwam uit op de aanbouw van het paleis van justitie. Daar was een ijzeren deur, om de verdachten aan en af te voeren naar de rechtbank. Aan de andere kant lag de muur van de gevangenis. Het geschut werd vastgezet en er werd op de muur geschoten. Er gebeurde echter niets, de afstand was te klein om een gat in de muur van het HvB te schieten.

De Hofstraat was een ander gebied waar Weber en zijn manschappen actief waren. Door de permanente activiteit van Engelse sluipschutters was het levensgevaarlijk voor hen om de Hofstraat in te gaan; “wer nicht informiert war, war tot”. Volgens Weber lagen de Engelse sluipschutters achter de gesloten muur en haalden dan uit die muur losgemaakte stenen, die er na het schieten weer in terug gedaan werden.

Duitse soldaten werden tijdens de Slag om Arnhem regelmatig het slachtoffer van Britse sluipschutters die zich verdekt hadden opgesteld. Panzergrenadier Horst Weber bevond zich bij de wachtpost van de groep van Weber op de hoek van de Hofstraat en de Markt, toen een kameraad werd gedood door een scherpschutter:

“Toen stond ik daar en daar kwam uit een burgerhuis een Duitse soldaat, een oudere man misschien al met kinderen. Het was een fijne kerel – een Oberfeldwebel. Hij had geen leidende functie en was net als wij in Arnhem bij de groep ingedeeld. Hij stak de straat over, was ongeveer op drie vierde en kreeg een nekschot. Hij viel me dood in mijn armen. Ik heb hem nog gezegd: “Warten!” Nee, hij wilde oversteken… Op deze wijze hebben de Engelsen veel van onze mensen gedood.”[6]

Volgens Weber was het aandeel gewonden bij de Duitsers gering. Veelal werden de Duitsers dodelijk getroffen door sluipschutters. Zeer goede schutters volgens Weber.

Weber herinnert zich dat de huizen aan de westkant van de Markt in brand stonden: “die brannten und stürzten zusammen, die Südlichen zuerst”.

Het glas-in-loodraam van burgemeester Chris Matser

Elke vertrekkende burgemeester in Arnhem laat sinds 1969 een glas-in-loodraam achter als cadeau voor de stad Arnhem. Chris Matser begon deze traditie met zijn raam dat toont in het midden de herbouwde St. Eusebiuskerk toont met links de verwoeste stad en rechts  de nieuwe stad. Matser was geobsedeerd door de Griekse mythe van de phoenix die uit haar as verrijst. Zo zag hij ook de wederopbouwperiode van ‘zijn’ stad. De Latijnse tekst LABOR OMNIA VINCI (Werk overwint alles) op het raam verwijst hiernaar.

Naar boven


[1] Dagboek Hendrik J. Tiemens, 18 september 1944. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 168.

[2] Interview Frank van Lunteren en Willem Brouwer met Horst Weber, woensdag 25 juli 2007.

[3] Telefoongesprek Willem Brouwer met Horst Weber, 4 juni 2007.

[4] Om deze locatie zijn de manschappen gepositioneerd. De manschappen weten dat zij daar de commandant van de groep kunnen vinden en dat het de plek is waar berichten en orders te halen zijn.

[5] Dagboek Hendrik J. Tiemens, 18 september 1944. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 168.

[6] Interview Frank van Lunteren en Willem Brouwer met Horst Weber, woensdag 25 juli 2007.

Taal/LanguageNLEN