27 Pastoorstraat

De Pastoorstraat nam vóór de Tweede Wereldoorlog een centrale plaats in bij de joodse Arnhemmers. Een belangrijk gebouw vormde de synagoge naar een ontwerp van de Arnhemse stadsarchitect Hendrik J. Heuvelink. De eerste steen werd gelegd op 13 juli 1852. Een jaar later, op 19 augustus 1853, werd de kerk ingewijd. De plaats was bewust gekozen. Hier stond tot 1852 het woonhuis van Jonas Daniël Meijer (1780-1834), de eerste joodse advocaat in Nederland. Hij werd geboren in Arnhem, en woonde er tot 1890. Meijer was ook adviseur van Koning Lodewijk Napoleon en van Koning Willem I.[1]

Rond 1853 woonden circa 1200 joden in de Gelderse hoofdstad. Doordat die gemeenschap bleef groeien, werd in 1881 zelfs de opperrabinale zetel naar Arnhem verplaatst. De kerk in de Pastoorstraat kreeg daarmee de status van Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge.[2] Het joodse badhuis lag vlakbij, in de Kerkstraat, en de Joodse School was sinds 1893 gevestigd aan de Kippenmarkt, achter het godshuis. Aan het eind van de jaren dertig van de 20e eeuw was het aantal joodse Arnhemmers, mede door de komst van vluchtelingen uit Duitsland, gestegen tot ongeveer 2100.

Maatregelen tegen joden

Tijdens de bezettingsjaren 1940-1945 veranderde het leven van de Arnhemse joden drastisch. De eerste maanden konden ze nog redelijk ongemoeid leven, maar in augustus 1940 werden joodse winkels in de Roggestraat en de Steenstraat beklad met racistische leuzen. Ook werden pamfletten opgehangen met teksten als “Koopt niet bij joden” en “Voor joden geen toegang”.[3] Een maand later probeerden NSB’ers tevergeefs de synagoge in brand te steken.

In de herfst van 1940 werden de joodse leraren van niet-joodse scholen ontslagen. Zij mochten voortaan alleen nog op joodse scholen lesgeven. Het lesmateriaal werd grondig aangepast: alles wat de Duitsers niet van pas kwam werd verwijderd uit de schoolboeken, zoals informatie over joodse en Deutschfeindliche schrijvers, hun gedichten en romans.27 Pastoorstraat[4]

Begin 1941 namen de landelijke anti-joodse maatregelen van de Duitse rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart grotere vormen aan. Joodse voetballers mochten niet meer bij Vitesse spelen, violisten moesten het Gelders Orkest verlaten, men mocht geen lid meer zijn van de Luchtbeschermingsdienst, en winkels werden geplunderd. In de nacht van 10 op 11 januari 1941 werd opnieuw brand gesticht in de synagoge, maar de omwonenden wisten het vuur al vrij snel te blussen.[5] De materiële schade bleef gering, maar de psychologische klap was groot.

Het verplicht dragen van een gele ster met daarop het woord ‘jood’, en uitsluiting van het bezoek aan scholen, zwembaden en openbare parken, zijn enkele voorbeelden van de discriminerende maatregelen die door de Duitse bezetters werden uitgevaardigd.

Joods verzet

De joodse Arnhemmers bleven echter niet machteloos toekijken. Verscheidene jongeren en ook enkele mensen van middelbare leeftijd werden lid van het verzet. Een aantal van hen werd dit noodlottig, onder andere de 38-jarige Elias Paul Broekman. Hij dook onder in Breda, en werd lid van een knokploeg. Op 4 mei 1942 werd Broekman door de Sicherheitsdienst (SD) gearresteerd “wegens beleediging van de N.S.B.”[6] Hij werd overgebracht naar het concentratiekamp Mauthausen in Duitsland, waar hij op 29 juni 1942 bij een “ontvluchtingspoging” werd neergeschoten. Ook zijn vader Aron Broekman kwam in dat kamp om; hij overleed op 25 juni van hetzelfde jaar.[7] Elias’ vrouw Frederica Broekman-Mendels bracht twee jaar door in het concentratiekamp Auschwitz. Zij overleefde de oorlog, net als hun twee kinderen Lottie en Robbie. Al hun spullen waren echter verdwenen, en daarom kreeg zij van de gemeente Arnhem een uitkering van f 21,- per week.[8]

Razzia’s

In februari 1941 hielden de Duitsers in een aantal plaatsen in Nederland de eerste razzia’s, waarbij joden werden opgepakt en naar Kamp Amersfoort werden gebracht. Van daaruit werden ze doorgezonden naar concentratiekampen in Duitsland. De eerste razzia onder Arnhemse joden was op 9 oktober 1941. Tien personen werden die dag opgepakt en naar Mauthausen gezonden, waar ze allen werden omgebracht.

Het volgende jaar bracht nog meer razzia’s toen werd overgegaan op planmatige deportaties. De Arnhemse politie kreeg van de rijkscommissaris de opdracht om een alfabetische lijst samen te stellen van alle joodse inwoners. Het was de bedoeling dat agenten langs de 581 adressen zouden gaan om de bewoners te arresteren. Als ze niet thuis werden aangetroffen, zorgde men ervoor dat het gas en het water werden afgesloten, en het huis verzegeld werd. In de periode tot 10 december 1942 werden 131 huizen ontruimd. De lijsten werden steeds gecontroleerd en bijgewerkt.[9]

Vanaf oktober 1942 deed Kamp Westerbork in de provincie Drenthe dienst als Polizeiliches Durchgangslager Westerbork: het doorgangskamp op weg naar het oosten. De bekende dagboekschrijfsters Anne Frank en Etty Hillesum hebben hier later vastgezeten voordat zij naar concentratiekampen in Duitsland en Polen werden gestuurd.

De Duitse algemene commissaris voor veiligheid in Nederland, Hanns Albin Rauter, beloofde zijn chef Heinrich Himmler in Berlijn dat snel met de joden zou worden afgerekend. Hij stuurde op 10 september 1942 het volgende bericht:

“Am 15. Oktober wird das Judentum in Holland für vogelfrei erklärt, dh. es beginnt eine grosse Polizeiaktion, an der nicht nur deutsche und niederländische Polizeiorgane sondern darüber der Arbeitsbereich der NSDAP, die Gliederungen der Partie, der NSB, die Wehrmacht usw. mit herangezogen werden. Jeder Jude, der irgendwo in Holland angetroffen wird, wird in die grossen Judenlager eingezogen.”

“Op 15 oktober wordt het jodendom in Holland vogelvrij verklaard, dat wil zeggen, dan begint een grote politieactie waaraan niet alleen Nederlandse en Duitse politie-instanties meedoen, maar waarbij ook betrokken worden de NSDAP, de NSB, de Wehrmacht etc.. Elke jood die ergens in Holland wordt aangetroffen, wordt in een van de grote jodenkampen vastgezet.”

Rauter zorgde tevens voor instructies voor de hoofdcommissarissen van alle politiekorpsen. Voor Arnhem betekende dit dat de politie op 10 december 1942 in totaal 959 joden moest ophalen.

Zij zouden worden vastgehouden op tien verzamelpunten in afwachting van transport naar Kamp Westerbork. Zeventig politieagenten kregen elk een briefje waarop de namen en adressen van de af te halen slachtoffers stonden. Gedurende de razzia werden 271 huizen bezocht.

Op 138 adressen werden joden aangetroffen en gearresteerd. Zo werd op deze decemberavond het Joods Oude Liedenhuis aan de Markt 5 leeggehaald. Alle zestig bewoners en circa 20 joodse personeelsleden werden naar Westerbork getransporteerd. Na de oorlog is geen van hen teruggekeerd.[10] 346 inwoners van Arnhem werden uiteindelijk naar Drenthe overgebracht.

In maart 1943 maakte Rauter bekend dat per 10 april alle provincies, behalve Utrecht en Noord- en Zuid-Holland, “Judenrein” dienden te zijn. In Arnhem moesten de overgebleven joden zich melden op het station, vanwaar een personentrein hen naar kamp Vught bracht.[11] Ongeveer 1.300 joden zijn vanuit de Gelderse hoofdstad gedeporteerd. In concentratiekampen lieten 1.162 van hen het leven. Vier personen werden gefusilleerd, twee in Velp en twee in Nunspeet. Slechts ca. 134 in Arnhem opgepakte joden overleefden de oorlog.

De synagoge kwam maandenlang leeg te staan. Een verordening in mei 1943 dat alle Nederlanders hun radio’s moesten inleveren, zorgde voor een nieuwe bestemming van het pand. De toestellen werden in beslaggenomen zodat de bevolking niet meer naar de uitzendingen van Radio Oranje op de Engelse zender kon luisteren. Van onder tot boven werd het gebouw volgestopt met gevorderde radio’s.[12] Ingeleverde apparaten werden niet vernietigd, maar zorgvuldig geadministreerd en opgeslagen. Deze taak werd uitgevoerd door de gemeente Arnhem, die daartoe opbergstellingen in de synagoge aanbracht. Het was de bedoeling de radio’s na de “Endsieg” aan de eigenaren terug te geven.[13]

Kinderen hebben een sneeuwpop gebouwd voor de synagoge in de Pastoorstraat op 27 januari 1941. Vlnr: Moosje Cohen, Fransje Staring, Rudi Bachrach, Jopie Goudeket, Ische Cohen, Kaatje Cohen, Hannie Moonen, niet herkend, Siegfried Bachrach (Collectie S. Bachrach).

De synagoge tijdens de Slag om Arnhem

Tijdens de gevechtshandelingen in september 1944 dreigde de synagoge alsnog te worden verwoest toen in diverse panden in de binnenstad brand uitbrak, hier en daar gesticht door Duitse soldaten. De Arnhemse brandweer kreeg pas op woensdag 20 september van de Duitsers toestemming om te gaan blussen in een beperkt deel van de stad. Ordonnans Theo W. Scholten was een van de brandweerlieden die zich vrijwillig meldden voor deze taak, en hij herinnerde zich later:

“We werden gestationeerd op het Eiland, hoek Wielakkerstraat. Daar was een bronput en daaruit konden we dus water oppompen. Van daaruit legden we slangen midden door de Kerkstraat naar de Pastoorstraat. In de Bentinckstraat zaten Duitse soldaten te drinken en te zingen in enkele pakhuizen, die daar waren. O.a. in een zakkenhandel[14]. Van daaruit zag ik ook Duitse patrouilles naar de frontlinie vertrekken. Ze slopen achter elkaar vlak langs de huizen van de Kerkstraat en ze beduidden ons, datzelfde te doen. Maar wij waren van mening, dan door de Engelsen ook voor Duitsers te worden aangezien, daarom bleven we liever midden in de straat lopen, en vertrouwden er op dat onze witgeschilderde helmen voldoende zouden aangeven dat wij burgers waren en als brandweerlieden optraden.

De Israëlische synagoge, volgestopt met gevorderde radiotoestellen, was wonder boven wonder gespaard gebleven. Er naast brandde het en hier begonnen wij te blussen. Het was langdurig en daardoor vermoeiend en warm werk. Gelukkig werd er door een firma gezorgd dat wij afkoeling in flesjes limonade konden vinden. Na enige tijd werden de posten verwisseld en dan gingen we terug naar de motorspuit.

Op een gegeven ogenblik kwamen er Duitsers met een kanon de Wielakkerstraat in dat ze even verder, achter ons, opstelden. We vonden dat natuurlijk niet leuk en lieten dat ook wel blijken. Maar zij zeiden “Maak je maar niet bang, want we schieten toch over jullie heen.”

Hoe lang we daar zijn gebleven herinner ik me niet meer. Vermoedelijk werden wij afgelost en hebben anderen de strijd tegen het vuur voortgezet. Wel weet ik, dat we vanuit de Kerkstraat de vlammen door de Grote Kerk zagen lekken. Maar daar mochten we niet bij komen.” [15]

Brandweercommandant Jonker was bezorgd om zijn mannen, die hun levens waagden om branden te blussen:

“In den loop van den middag van woensdag 20 september werd bericht ontvangen, dat in enkele gedeelten van de stad het verder voortschrijden van de brand mocht worden tegengegaan. Op dit bericht werd onmiddellijk personeel en materieel uitgezonden. Allereerst werd toegestaan den brand in de Bakkerstraat tegen te houden. Reeds tijdens het eerste blusschingswerk werd dat gedeelte van de stad vanuit vliegtuigen heftig beschoten. Toch slaagde de brandweer erin het vuur te bedwingen, doch moest overijld het terrein van den brand verlaten. Manschappen en materieel kwamen onder een regen van kogels aan den brandweerpost terug.”[16]

Joodse onderduikers

De evacuatie van de stad eind september 1944 pakte rampzalig uit voor de ondergedoken joden. Diverse personen werden toen gearresteerd. Een van hen was de 50-jarige Derk Bresser, die op 4 januari 1945 wegens hulp aan in Arnhem achtergebleven onderduikers door de SD werd gearresteerd. Hij stierf op 1 april van dat jaar in het concentratiekamp Wöbbelin in Duitsland, waar veel Nederlandse joden naar toe werden gebracht.[17] Vijf weken later, op 4 mei 1945, werd het kamp bevrijd door het Amerikaanse 504th Parachute Infantry Regiment van de 82nd Airborne Division.

De Joodsche School voor Godsdienst Onderwijs aan de Kippenmarkt na de bevrijding in 1945 (Collectie Gelders Archief/Jaquet).

Na de bevrijding in 1945

Veel joodse Arnhemmers keerden niet terug naar de stad toen de oorlog in Europa ten einde was. Het precieze aantal omgekomen personen is niet vast te stellen. Een minutieus onderzoek van Cees Haverhoek in gegevens van het Rode Kruis en de burgerlijke stand in Arnhem bracht aan het licht dat tijdens de bezetting in totaal 2256 joden korte of langere tijd in de gemeente hebben gewoond. Zo’n 1300 van hen werd vermoord of stierven ten gevolge van honger of ziekte in een concentratiekamp.[18]

De joden die hun onderduikperiode of traumatische kampervaringen hadden overleefd, stonden voor een moeilijke keuze: terugkeren naar Arnhem, of elders een nieuw bestaan opbouwen. Velen kozen voor het laatste, en verhuisden naar Amsterdam of elders in Nederland. Anderen emigreerden, en vertrokken naar Palestina, Australië of de Verenigde Staten. Een groot aantal Arnhemse joden ging in één bepaald dorp in Israël wonen.

Van de religieuze leiders van de joodse gemeente in Arnhem overleefde alleen chazzan (voorzanger) Leendert Boas de oorlog, en hij bleef deze functie bekleden tot zijn dood in 1957.

Herstel

Omdat de synagoge door oorlogsgeweld zwaar was beschadigd werd tot 1950 de joodse godsdienstschool aan de Kippenmarkt gebruikt.[19]

Een Comité Actie Synagoge Herstel werd opgericht. Deze hield een geldinzameling, en samen met de bijdragen van de bij het rijk ingediende schadeclaims voor herstel van oorlogsschade werd voldoende bijeengebracht om de restauratie ter hand te nemen. Onder leiding van de Amsterdamse architect Jac. S. Baars werd het herstel in de jaren 1949-1950 door Aannemersbedrijf E. van Amerongen uitgevoerd.[20] Bij deze renovatie werd onder andere het schuine dak verwijderd. Op 10 december 1950 werd de herstelde synagoge weer in gebruik genomen.

Restauratie

In augustus 2002 gaf rabbijn Jacobs het sein voor een grootschalige restauratie door van het treinstation naar de Pastoorstraat te lopen en op een ramshoorn te blazen.[21] De werkzaamheden, die 2,9 miljoen euro kostten, werden in 2003 afgerond. Koningin Beatrix was aanwezig bij de feestelijke overdracht van de kerk door de Stichting Arnhemse Synagoge aan de Joodse Gemeente Arnhem op 8 oktober van dat jaar. Het gehele interieur is teruggebracht in de oorspronkelijke staat van vóór de oorlog. De glazen wand tussen de gebedsruimte en het voorportaal is erin gezet om de lichtinval te bevorderen.

Aan een van de muren is een getinte glasplaat aangebracht waarop in het Hebreeuws en het Nederlands de volgende tekst staat:

IN DE STENEN VAN DIT HUIS
ZIJN HUN STEMMEN VOOR ALTIJD OPGENOMEN
HET GELUID VAN HUN STEM WERD MONDDOOD GEMAAKT
MAAR DE KLANK BLIJF EEUWIG RESONEREN

Deze tekst werd bedacht door een van de leden van de Joodse Gemeente Arnhem. Hun godshuis is weer (nog steeds) de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge, en de gemeenschap telde in 2003 ongeveer zeventig personen. In 1965 was een tweede kerk opgericht: de Liberaal Joodse Gemeente Gelderland, die in 2003 ongeveer een even groot aantal leden had.[22]

Meer informatie

Wie geïnteresseerd is in nadere gegevens over het joodse leven in de Pastoorstraat, inclusief over de families Bachrach, Salomon Cohen en Mozes Cohen, kan hier klikken.

Naar boven


[1] ‘Jonas Daniël Meijer’, Joods Historisch Museum. http://www.jhm.nl/personen.aspx?naam=Meijer,%20Jonas%20Daniel Geraadpleegd op 3 maart 2007.

[2] ‘Joden in Arnhem’, geraadpleegd op 3 maart 2007.

[3] Margo Klijn, De Stille Slag. Joodse Arnhemmers 1933-1935 (Westervoort 2003), 93.

[4] Ibidem, 126.

[5] Ibidem.

[6] Gelders Archief, archief Gemeentesecretarie Arnhem 1940-1949, inventarisnummer 390, brief 4865/105.

[8] Gelders Archief, archief Gemeentesecretarie Arnhem 1940-1949, inventarisnummer 390, brief 4865/105.

[9] Cees Haverhoek, ‘Jodenvervolging in Arnhem tijdens de Duitse bezetting’, Arnhem de Genoeglijkste, jaargang 19 (1999), nummer 3.

[10] van Sonsbeke, Arnhemse straten, geplaveid met herinneringen, Deel I (Arnhem, 1982), p. 47.

[11] Niek Nelissen, ‘We gaan vol moed naar het onbekende. Het gruwelijke lot van het gezin Pinto’, Arnhem de Genoeglijkste, jaargang  22 (2002), nummer 2, 118.

[12] Klijn, De Stille Slag, 116-117

[13] J. Vredenberg, ‘De synagoge aan de Pastoorstraat’, Arnhem de Genoeglijkste, jaargang 22 (2002), nummer 2, 68.

[14] Volgens het adresboek van 1942 was de Arnhemsche Zakkenhandel in die tijd op nummer 22 gevestigd.

[15] Th. W. Scholten, Enkele aantekeningen over mijn activiteiten bij de ordonnansdienst van de Arnhemse brandweer in de oorlogsjaren 1940-1945 (december 1976), 5. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 8.

[16] A. Jonker, Verslag omtrent de belevenissen bij de brandweer vanaf 17 september 1944 tot begin december 1944 (z.j.), 9. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 1410.

[17] Gelders Archief, archief Gemeentesecretarie Arnhem 1940-1949, inventarisnummer 390, brief 4865/131a.

[18] Klijn, De Stille Slag, 233.

[19] Ibidem, 234-235.

[20] J. Vredenberg, ‘De synagoge aan de Pastoorstraat’, Arnhem de Genoeglijkste, jaargang 22 (2002), nummer 2, 69.

[21] Klijn, De Stille Slag, 238.

[22] Ibidem, 235.

Taal/LanguageNLEN