Home > Snuffelen in... >Freedom Trail Arnhem > 36 Nieuwe Kade-Badhuisstraat

36 Nieuwe Kade-Badhuisstraat

Tijdens de Slag om Arnhem duurden de gevechten op hoek van de Nieuwe Kade en de Badhuisstraat veel langer dan de Duitsers aanvankelijk hadden gedacht. Een kleine groep Britse parachutisten hield hier achttien uur lang dapper stand, zonder enige versterking, tegen een overmacht aan Duitse infanterie. Maar ook Arnhemse burgers raakten betrokken bij de gebeurtenissen op deze locatie. Daarom is deze plaats op deze website als punt 36 van het Freedom Trail Arnhem opgenomen.

 

Het bombardement aan de Nieuwe Kade

Toen op zondagmorgen 17 september 1944 Britse en Amerikaanse vliegtuigen objecten in en rond Arnhem bombardeerden, was het Duitse luchtafweerkanon dat niet ver van het huis van de familie Kamevaar aan de Nieuwe Kade stond, een van de doelen. Een geallieerde jachtbommenwerper viel het kanon aan juist op moment dat een aantal geslachte runderen uit het nabij gelegen slachthuis werden gehaald. De Arnhemse slager Kees van Lunteren aan de Taklaan 17 was diezelfde morgen opgebeld door de Contactcommissaris voor de voedselvoorziening in Gelderland, dierenarts Dr. W.H.F.C. Majoewsky, en kreeg de opdracht om de runderen op te halen. Wim van Lunteren, destijds 27 jaar oud, herinnerde zich later:

“Op zondagmorgen 17 september werden wij gebeld door Dr. Majoewsky, commissaris voedselvoorziening in de regio, die vertelde dat op het Gemeente Slachthuis aan de Nieuwe Kade zeven geslachte runderen hingen. Deze runderen moesten worden opgehaald om te verwerken ter behoeve van de bevolking in de Centrale Keuken. Mijn vader had destijds de technische leiding over de vleesverdeling in de Gemeente Arnhem waaronder ook de Centrale Keuken. Een platte wagen met paard was geregeld en het vlees moest gebracht worden naar de Centrale Keuken aan de Verlengde Paulstraat. Terwijl mijn vader met de voerman vertrokken was verzamelde ik een tiental slagers uit de omgeving om te helpen de grote partij rundvlees te verwerken.” [1]

De tocht van Kees van Lunteren en de voerman veranderde in een hachelijke onderneming bij de Nieuwe Kade. Later die dag hoorde zijn zoon Wim wat er was gebeurd:

“Daar aangekomen kwamen ze in een helse toestand terecht door een aanval op de Duitse bezetting van een stuk geschut aan de Rijnkant. Samen met de voerman lag mijn vader strak tegen de muur die het slachthuisterrein omvatte, naast het huis van Kamevaar. De familie Kamevaar, van wie ik enige leden persoonlijk kende, woonde in de voormalige directeurswoning van het Slachthuis. De heer Kamevaar was kapitein van het Nederlandse leger en was op grond van zijn kinderaantal uit krijgsgevangenschap vrijgekomen.
Bij nadering van het slachthuis was daar een hevige aanval op het daar aanwezige Duitse geschut aan de gang dat ook de nodige slachtoffers van de bemanning opleverde. De bezetting werd aan stukken gereten.”[2]

De opmars van de bevrijders

De succesvolle luchtaanval op het Duitse geschut aan de Nieuwe Kade zou niet het enige incident blijven. Die middag daalden de parachutisten van de Britse 1st Parachute Brigade naar beneden ten westen van Arnhem. Het 3rd Parachute Battalion van luitenant-kolonel John A.C. Fitch was een van de drie bataljons die in de middag van 17 september 1944 vanaf de landingsterreinen in de buurt van Heelsum op weg gingen naar de Rijnbrug in Arnhem. Het bataljon marcheerde in een kolonne over de Utrechtseweg met in de voorhoede B Company, gevolgd door HQ Company en de bataljonsstaf, vervolgens C Company, A Company, een paar anti-tankkanonnen en geniesoldaten. De opmars verliep traag doordat de voorste compagnie keer op keer werd opgehouden door vijandelijke vuur.

Rond 17.30 uur was het 3rd Parachute Battalion nog niet verder gekomen dan ongeveer een halve kilometer ten westen van Oosterbeek. Luitenant-kolonel Fitch en zijn commandant, brigade-generaal Gerald Lathbury, maakten zich zorgen over het tempo van de opmars en gaven majoor Robert P.C. “Pongo” Lewis opdracht om met zijn C Company via de spoorlijn Utrecht-Arnhem (ten noorden van de geplande opmarsroute) verder te gaan richting de Gelderse hoofdstad. Luitenant Len Wright, de commandant van 9 Platoon, herinnerde zich later:

“Majoor Lewis werd naar het hoofdkwartier van het 3rd Parachute Battalion geroepen en keerde daarna terug naar de stafgroep van de compagnie en vertelde de pelotonscommandanten dat C Company het bataljon diende te verlaten en een andere route moest zoeken naar de brug. De opstelling van de compagnie zou ongewijzigd blijven. Er werd niet gezegd dat het bataljon ons zou volgen als we een open route zouden vinden, maar het was redelijk om aan te nemen dat ze dat gedaan zouden hebben als we radiocontact hadden gehad.”[3]

Met 9 Platoon voorop verliet C Company de Utrechtseweg en sloeg linksaf de Bredelaan in. De twee verkenners van het peloton namen een Duitse soldaat gevangen die op zijn fiets de Britten tegemoet reed. Hij was volkomen verrast. Een gewonde soldaat die zijn enkel had bezeerd bij een voetbalwedstrijd een paar dagen eerder nam de fiets over en escorteerde de gevangene naar het bataljonshoofdkwartier. De rest van de compagnie hervatte ondertussen de opmars. Majoor Lewis schreef kort na de oorlog:

“Ik ging verder met mijn compagnie langs een zijweg die naar de spoorlijn leidde, omdat ik dacht dat die niet verdedigd zou worden. Op de kruising van de weg en de spoorbaan werd 9 Platoon (luitenant Wright) beschoten door een vijandelijke voertuig dat zich snel terugtrok. Twee andere rupsvoertuigen en een aanhanger met munitie werden verrast door het peloton en in brand geschoten. 7 Platoon (luitenant Hibburt) viel een rupsvoertuig aan dat hen van achteren probeerde te naderen. Het totale aantal eigen slachtoffers tijdens deze actie bedroeg vijf onderofficieren en soldaten [aan doden en gewonden]. Bij het bereiken van de spoorlijn gaf ik de mannen een moment rust en daarna gingen we verder naar de stad.”[4]

Tegen 19.15 uur in de avond bereikte de compagnie de Parallelweg in Oosterbeek, niet ver van het station. Majoor Lewis besloot om even halt te houden en te wachten tot het donker werd. De opmars zou dan hopelijk een stuk rustiger verlopen. Een sectiecommandant in 9 Platoon was gesneuveld bij de kruising van de Nico Bovenweg en de Stationsweg in Oosterbeek en een gewonde was achtergelaten met twee medische soldaten. Een andere sectiecommandant was in zijn been geraakt, maar kon nog wel verder lopen.[5]

Luitenant Len Wrights 9 Platoon kreeg rond 20.00 uur het bevel om verder te gaan. Langs de spoorlijn ontdekte een kleine patrouille van zijn peloton twee Nederlandse werknemers van de Nederlandse Spoorwegen die een werkpauze hielden langs de spoorlijn. Zij konden niets vertellen over de sterkte of aanwezigheid van Duitse troepen in de omgeving en legden uit dat alle spoorwegarbeiders staakten. Wright schreef later over het binnentrekken van Arnhem:

“De opmars werd voortgezet zonder verdere incidenten tot aan de perrons aan de westkant van het Arnhemse station.”[6]

De heer Bep Bolte, opzichter bij de Nederlandse Spoorwegen, woonde op de Utrechtseweg 48 recht tegenover de ingang van het Gemeentemuseum. Zijn achtertuin liep schuin af naar het spoorwegemplacement. Samen met zijn vrouw Dina en pleegdochter Corrie zag hij de bevrijders Arnhem binnenlopen:

“Zondagavond hoorden we stemmen vanaf de spoorlijn en zagen daar [Britse] militairen achter elkaar in ganzemars richting het station lopen.”[7]

Luitenant Wright gaat verder:

“Hier gaf majoor Lewis 8 Platoon het bevel om voorop te gaan en sloot 9 Platoon zich in de achterhoede achter 7 Platoon aan om “bij te komen”. 8 Platoon werd geleid door sergeant Vic Lumbs sectie met de soldaten Roberts en Sully als verkenners.”[8]

De 23-jarige luitenant Gerald M. Infield uit Londen voerde het bevel over 8 Platoon. Hij was van joodse komaf en diende al enige tijd in het 3rd Parachute Battalion. Zijn grootmoeder van moederskant kwam uit Nederland en hij had verschillende Nederlandse familieleden die in en rond Amsterdam woonden. Luitenant Infield vertelde jaren na de oorlog over zijn aankomst in Arnhem:

“Ik was een van de eersten die aankwamen bij het station. We liepen er snel door heen. Ik herinner me dat ik van een perron afsprong en erg hard op de grond neerkwam doordat we een zware bepakking droegen. Het station was geheel verlaten.”[9]

Luitenant Wright schreef in de niet voltooide compagniesgeschiedenis dat 8 Platoon wel degelijk Nederlanders aantrof in het station:

“8 Platoon trof enkele Nederlandse spoorwegmensen aan in een kamer in het station, maar geen Duitsers hoewel ze bij het verlaten van het station even moesten wachten op een passerende Duitse ordonnans en een tank. 8 Platoon leidde de compagnie via de Stationsstraat naar het Willemsplein waar soldaat Harry “Titch” Webber van sergeant Charlie Storey’s sectie een Duitse PU vernielde en de inzittenden doodde met een Gammon bom [een soort granaat die bedoeld is om een voertuig op te blazen]. Glas van gebroken ruiten kraakte onder onze schoenen en het brandende silhouet van de beschadigde Willemskazerne aan de noordelijke kant van het plein getuigde van de effectiviteit van het Royal Air Force bombardement eerder op de dag.” [10]

Majoor Lewis gaf luitenant Infield de opdracht om zo onopvallend mogelijk verder te gaan naar de brug:

“Het was een vrij donkere nacht dus ik liet mijn compagnie door de stad marcheren naar het hoofdplein [Willemsplein] waar we een transport met vijandelijke soldaten tegenkwamen. Ik gaf het voorste peloton, 8 Platoon (luitenant Infield), opdracht om de vijand niet aan te vallen of een vijandige beweging te maken, omdat ik dacht dat ze dan wellicht zouden denken dat we ook Duitsers waren; dat deden ze ook en we marcheerden de rest van de weg naar de brug.
We hadden twee gevangenen gemaakt aan de rand van de stad onder wie een officier en op dit moment ontsnapte de officier en waarschuwde [vermoedelijk] de vijand dat versterkingen de brug hadden bereikt.”[11]

Op het Velperplein, op amper vijftig meter afstand van het Wehrmachtheim in Musis Sacrum, had een kleine groep Arnhemse politieagenten onder leiding van inspecteur Stuvel een ontmoeting met de Britten. Ze vroegen hen de weg naar de brug. De agenten, die op het eerste gezicht hadden gemeend met Duitse soldaten  te doen te hebben en veiligheidshalve “Polizei!” hadden geroepen, voldeden graag aan het verzoek. Wel werden hun vuurwapens in beslag genomen.[12]

Luitenant Wright vervolgt in zijn compagniesgeschiedenis:

“Verdere tanks vertraagden de opmars van het compagnieshoofdkwartier en de laatste twee pelotons. Een zoeklicht op een tank werd aangezet en op de voorste groep gericht, maar haastig uitgezet toen majoor Lewis luidkeels “Licht aus!” riep.
Het originele doel van de compagnie was het bezetten van de perrons aan de oostkant van het station en een gepantserde trein die daar stond, maar het bevel van de brigade commandant om naar de brug te gaan had het doel veranderd. Toen [de soldaten van] 8 Platoon het westelijke deel van het Velperplein overstaken, zonder twijfel in het donker aangezien voor een groep Duitsers, schoten ze op een passerende vrachtwagen vol met Duitse soldaten met goed effect te oordelen aan het geschreeuw en gegil dat we konden horen.”[13]

Dit korte vuurgevecht alarmeerde de Duitsers en toen 7 Platoon vanaf het Velperplein de Velperbuitensingel inliep opende de vijand het vuur vanuit een rijdend rupsvoertuig. Het peloton stoof uiteen nadat drie soldaten waren geraakt.[14] Luitenant Wright van 9 Platoon overlegde kort met luitenant Hibburt die hem vertelde dat de rest van C Company al was verder gelopen. Wright nam het bevel op zich en gaf Hibburt de opdracht om zijn peloton weer te verzamelen en direct 9 Platoon te volgen naar de brug. 8 Platoon en C Company HQ waren toen al vrijwel bij de brug gearriveerd.

C Company bij de Rijnbrug

Foto van 8 Platoon, C Company, 3rd Parachute Battalion in Engeland, 1944. Luitenant Gerald Infield zit vooraan, zesde van links. (Foto via Airborne Museum in Oosterbeek. Collectie Airborne Museum Hartenstein, Oosterbeek).

Bij de brug aangekomen meldde majoor Lewis zich bij het bataljonshoofdkwartier van het 2nd Parachute Battalion aan de Eusebiusbinnensingel. Hij vernam van de inlichtingenofficier, luitenant Clifford Boiteaux-Buchanan, dat de rest van het 3rd Parachute Battalion nog niet was gearriveerd. Voorlopig moest C Company zich ten oosten van de Rijnbrug installeren. Het was inmiddels al rond 23.00 uur in de avond.

Intussen had luitenant Wright 7 Platoon op de Eusebiusbinnensingel en 9 Platoon op de Eusebiusbuitensingel ter hoogte van de Lauwersgracht opgesteld. Niet lang daarna kregen Hibburt en Wright het bevel om zich bij majoor Lewis te melden. Bij de commandopost van het 2nd Parachute Battalion troffen ze naast majoor Lewis ook luitenant Infield en de plaatsvervangende compagniescommandant, kapitein Wilfred H. Robinson, aan. Luitenant Wright herinnerde zich van de briefing:

“Majoor Lewis vertelde de pelotonscommandanten dat, volgens de orders van luitenant-kolonel Frost die we via zijn inlichtingenofficier hadden verkregen, 8 Platoon de gebouwen bij de oostelijke toegangswegen naar de weg onder de brug moest bezetten, 7 Platoon kreeg de opdracht om het schoolgebouw [de Van Limburg Stirum School] te verdedigen (…..) en 9 Platoon had de opdracht om het noordelijke kruispunt te bezetten totdat een boodschapper van het compagnieshoofdkwartier hen kwam ophalen om ook naar de school te gaan.”[15]

8 Platoon van luitenant Infield volgde de Eusebiusbinnensingel verder langs de westkant van de brugoprit richting het viaduct onder de verkeersbrug. Zilveren lichtkogels werden over hen heen geschoten vanaf de zuidelijke oever. Drie Duitsers kwamen uit het viaduct lopen en werden op een korte afstand doodgeschoten. Boven op de brug stond een Duitse vrachtwagen in brand en verlichtte de omgeving.[16]

Aan de andere kant van de brug kreeg sergeant Andy McCandlish van luitenant Infield het bevel om met zijn sectie (een groep van ongeveer acht soldaten, een korporaal en een sergeant) de Camiz Melkfabriek te bezetten. Daar trof McCandlish een aantal soldaten van het 1st Parachute Brigade Defence Platoon aan. Dit was een peloton die de opdracht had om het brigadehoofdkwartier te bewaken. Doordat er nog niet een compleet bataljon bij de brug was aangekomen kreeg dit peloton de opdracht om samen met een groep geniesoldaten en een bevoorradingspeloton de huizen te bezetten op de hoek van de Westervoortsedijk en de Eusebiusbuitensingel. De komst van McClandlish’ sectie bracht de sterkte van de Britse soldaten in de Camiz Melkfabriek op ongeveer twintig man.

De rest van 8 Platoon volgde de Nieuwe Kade en bezette de prentbriefkaartenfabriek Jos Pé aan de Nieuwe Kade 2, op de hoek van de Badhuisstraat. Deze groep bestond uit de secties van de sergeants Vernon “Vic” Lumb en Charles Storey en 8 Platoon HQ van luitenant Infield, samen ongeveer vijfentwintig man sterk.

Kapitein Hendrik Kamevaar

Aan de overkant van de Badhuisstraat, op Nieuwe Kade 3, woonde de familie Kamevaar. Het gezin bestond uit Hendrik en Theodora Kamevaar en hun negen kinderen. De 53-jarige Hendrik Kamevaar was kapitein bij de infanterie en werd in 1942 door de Duitsers met het merendeel van de Nederlandse beroepsmilitairen alsnog krijgsgevangen gemaakt. Kamevaar werd geïnterneerd in kamp Neu Brandenburg in Duitsland. Een jaar later bepaalde Adolf Hitler dat krijgsgevangen militairen met acht of meer kinderen zouden worden vrijgelaten. Kamevaar keerde dus als een vrij man terug naar Arnhem.

Hij kreeg een baan als controleur bij de distributiedienst en was onder meer regelmatig op het vliegveld Deelen werkzaam als controleur van de zware arbeid. Kamevaar werd lid van de O.D. (Orde Dienst) en maakte schetsen van de Duitse opstellingen in Deelen en notities van de troepensterkte en het aantal vliegtuigen. Deze aantekeningen bracht hij naar Gerhard C. Wunderink, die een winkel in vleeswaren had in de Steenstraat (nummer 97 - zie ook punt 31 Steenstraat). Een enkele keer bracht zijn oudste zoon John deze overzichtstekeningen weg:

“Mijn vader had nog steeds de trommel met alle gedetailleerde landkaarten van Nederland. Als hij van het vliegveld kwam legde hij de betreffende kaart uit en daarop een vel oleaat. Op dat oleaat tekende hij de posities op het vliegveld in en vermeldde nadere gegevens. Ik bracht de oleaten ’s avonds naar de heer Wunderink. Ik moest dat doen omdat ik een luchtbeschermingsarmband had. Door die armband mochten de Duitsers mijn fiets niet in beslag nemen en mocht ik in spertijd in de stad fietsen.”[17]

“In de organisatie waar Wunderink bij hoorde was de regel: niemand kent elkaars namen. Als ik met iemand contact moest opnemen kreeg ik nooit een naam, altijd alleen maar een kenteken of een wachtwoord.
In Arnhem is in het begin van de oorlog een verzetsgroep opgerold. Majoor Van der Ploeg en de heer Hoefsloot, commandant [van de] Burgerwacht, zijn gefusilleerd. De Duitsers kregen een lijst met alle namen en adressen van de deelnemers te pakken met alle gevolgen van dien. Dat zou nooit meer gebeuren. Nadien is een verspreide organisatie ontstaan van diverse groepen waaronder Wunderink en consorten, maar door steeds gebruik te maken van codes en aanduidingen wist niemand van de anderen. Als je mensen ontmoette noemde je nooit je naam, hoogstens een code of wachtwoord.
Wat mijn vader uitvoerde of wist weet ik niet. We vertelden elkaar nooit (tenzij noodzakelijk) wat we uitvoerden. Alleen bij die oleaten van het vliegveld Deelen wist ik wat af omdat hij ze aan me liet zien en ik moest ze wegbrengen naar de heer Wunderink in zijn winkel. Die zou ze naar de geallieerden doorspelen.”[18]

Wunderink was een reserve-kapitein en net als Kamevaar lid van de O.D. Hij overlegde vanaf augustus 1944 regelmatig met leden van de L.K.P. (Landelijke Knokploegen) in Arnhem, onder leiding van Ir. Piet C. Kruijff.

Op zondag 12 september 1944 was Wunderink door de Duitsers doodgeschoten in Dieren, maar het verzetswerk werd voortgezet. De schetsen die Kamevaar maakte werden uitgewerkt tot een gedetailleerde stafkaart met coördinaten, en via andere verzetsgroepen uiteindelijk doorgezonden naar het Nederlandse Bureau Inlichtingen in Londen. Dat speelde deze kaart weer door aan de Britse inlichtingendienst.

De eerste Duitse tegenaanval

Terwijl drie Britse parachutistenbataljons op zondagmiddag vanaf de landingsterreinen bij Heelsum op weg gingen naar de brug vaardigde het Duitse II. SS-Panzer-Korps aan de 9. SS-Panzer-Division “Hohenstaufen” en 10. SS-Panzer-Division “Frundsberg” de opdracht uit om de bruggen van Arnhem en Nijmegen tot elke prijs in handen te houden. SS-Sturmbannführer Leo H. Reinhold, een bataljonscommandant van SS-Panzer-Regiment 10 van de 10. SS-Panzer-Division “Frundsberg”, kreeg vroeg in de avond het bevel om een gevechtsgroep te formeren en SS-Panzer-Aufklärungs Abteilung 9 (een verkenningseenheid van de Hohenstaufen-divisie) over de verkeersbrug bij Arnhem naar Nijmegen te volgen.

Toen de Kampfgruppe Reinhold echter in het centrum van Arnhem aankwam bleken de Britse parachutisten al de noordelijke oprit van de verkeersbrug te hebben veroverd. Noodgedwongen zette Reinhold daarom zijn samengeraapte gevechtsgroep in tegen de Britse opstellingen. SS-Hauptsturmführer Karl-Heinz Eulings 1ste Bataillon van SS-Panzergrenadier Regiment 22 kreeg de opdracht om langs de Nieuwe Kade aan te vallen. Eulings bataljon was laat die avond vanuit Rheden naar Arnhem vertrokken. Zijn eenheid had een sterk gereduceerde gevechtssterkte na eerdere gevechten in Frankrijk. Hij beschikte over twee compagnieën, gecommandeerd door SS-Obersturmführer Geipel en SS-Obersturmführer Severing. Radiocontact met andere eenheden had Euling niet toen hij in Arnhem aankwam. Via motorordonnansen werden berichten overgebracht.[19] Zijn commandopost vestigde hij in het linker kantoorpand van het Slachthuis, pal naast het huis van de familie Kamevaar. Dit gebouw werd gebruikt als laboratorium en als kantoormagazijn. De concïerge van het slachthuis woonde op de bovenverdieping.

Eulings bataljon stuitte op de meeste oostelijke posities van de Britse parachutisten bij de brug –  8 Platoon van luitenant Gerald Infield. De gevechten waren zeer hevig. Euling herinnerde zich later dat er “zware huis-aan-huis gevechten” werden gevoerd.[20] Majoor Lewis en kapitein Robinson in de Van Limburg Stirumschool aan de Eusebiusbuitensingel konden intussen met hun radio geen enkel contact krijgen met luitenant Infield.[21]

Kampfgruppe Knaust

Diezelfde nacht trokken verschillende andere onderdelen uit Duitsland Arnhem binnen. Zij werden aangevoerd per trein of reden vanuit hun bases naar de Gelderse hoofdstad. Majoor Hans-Peter Knaust commandeerde een van deze eenheden. Zijn Panzer-Grenadier Ausbildungs und Ersatz Bataillon 64 (Bocholt) was de vorige dag vanuit Bocholt haastig vertrokken en kwam om 04.00 uur in de morgen bij Westervoort aan. Het grootste deel van zijn manschappen bestond uit jonge, onervaren rekruten en soldaten die in Rusland gewond waren geraakt. Knaust had zelf een been verloren in december 1941 in de omgeving van Moskou.[22]

Deze gevechtsgroep kreeg de naam ‘Kampfgruppe Knaust’ en werd versterkt met een compagnie tanks (Kompanie ‘Mielke’) van Panzer Ersatz Regiment VI ‘Bielefield’ onder bevel van luitenant Mielke. Deze compagnie bestond uit acht verouderde Duitse tanks die met camouflageverf voor de woestijnoorlog waren beschilderd.[23] Ook had Knaust een peloton gemotoriseerde kanonnen toegewezen gekregen als ook het 2de Bataljon van SS-Panzer-Grenadier Regiment 22 onder bevel van SS-Hauptsturmführer Ulrich Haucke. Knaust eigen bataljon bestond uit een stafgroep, vier compagnieën pantsergrenadiers, een verbindingspeloton, een anti-tankpeloton en een geniepeloton.[24] Hoewel de sterkte van Kampfgruppe Knaust door Britse historici na de oorlog werd geschat op niet meer dan 200-300 man, was in werkelijkheid ongetwijfeld hoger.[25] Een sterkte van ongeveer 450 man lijkt waarschijnlijker.

Kampfgruppe Knaust werd weer toegevoegd aan een grotere gevechtsgroep: Kampfgruppe Brinkmann. Deze tond onder bevel van SS-Sturmbannführer Heinz Brinkmann van de 10. SS-Panzer-Division ‘Frundsberg’. Majoor Knaust kreeg de opdracht om het SS-Panzer-Grenadier Bataillon van SS-Hauptsturmführer Euling af te lossen bij de Nieuwe Kade en de Westervoortsedijk, en vervolgens de brug te heroveren. Eulings bataljon zou via het veer bij Pannerden de Rijn oversteken en naar Nijmegen optrekken om de Waalbrug te verdedigen. Het aflossen bleek echter moeilijker dan gedacht omdat enkele compagnieën van Eulings bataljon in zware huis-aan-huis gevechten waren gewikkeld.[26] 

Knaust stuurde één compagnie van SS-Hauptsturmführer Haucke’s 2de Bataljon van SS-Panzer-Grenadier Regiment 22 langs de Nieuwe Kade naar de brug en liet twee andere compagnieën over de Westervoortsedijk aanvallen. Knaust volgde in zijn pantserwagen en met zijn tanks deze beide compagnieën. De rest van zijn gevechtsgroep hield hij in reserve.[27]

De Britse patrouille

Het was nog donker in de ochtend van 18 september toen een kleine patrouille van 8 Platoon de achtertuin van de familie Kamevaar binnenliep. De heer des huizes ging naar buiten om met hen te praten.[28] Zijn zoon John herinnerde zich later:

“Op de vroege morgen van maandag kwam een patrouille Engelse militairen bij ons huis. Mijn vader heeft met ze gesproken en ze zo goed mogelijk ingelicht op vragen die ze hem stelden. Ik was daar niet bij.”[29]

Het is mogelijk dat Kamevaar de Britten enige aanwijzingen heeft gegeven of informatie heeft verstrekt over de Duitse opstellingen. Zodra het licht was geworden op maandagmorgen was het vrij rustig op de Nieuwe Kade. Kamevaar en zijn zoon John liepen naar buiten en praatten met enkele administratieve medewerkers van het slachthuis, die een woning in de naast hen gelegen panden hadden.

Volgens John had zijn vader, als beroepsofficier, veel belangstelling voor de gevechten om hen heen:

“Mijn vader was zondag en maandag wel erg geïnteresseerd naar de gevechten bij de brug, kort bij ons huis [vandaan]. Hij (…..) keek met zijn militaire kijker, die hij nog had, de omgeving af en heeft in die periode wel getelefoneerd, maar hij vertelde er niets over.”[30]

“Op maandag kwamen verschillende groepjes Duitsers ons huis in. Ze doorzochten het hele huis – op Engelse militairen? Ze keken in alle kasten, enzovoort.  Na het bezoek van zo’n groep bleken van het buffet de ramen van de bovenkastjes stukgeslagen te zijn. Zilveren voorwerpen daarin waren verdwenen.”[31]

De tweede Duitse tegenaanval

Om 12.00 uur in de middag viel de Kampfgruppe Knaust aan. John Kamevaar zag hoe Duitse militairen zich vlakbij hun huis opstelden:

“Ze begonnen met een mortier in de richting van de brug te schieten. De kogels sloegen in, ramen gingen kapot. Duitsers doorzochten ons huis en haalden alles overhoop. Wij zaten de meeste tijd in de kelder.”[32]

Majoor Knaust herinnerde zich na de oorlog dat zijn gevechtsgroep veel lijken van gedode SS-ers zag liggen. De Britse parachutisten hielden zijn twee compagnieën aan de Westervoortsedijk op doordat ze hen beschoten vanuit de Camiz Melkfabriek en de tramremise. De aanval kostte Knaust die dag drie compagniescommandanten. De gevechten in het gebouwencomplex van de Camiz waren zelfs zo fel dat Duitse soldaten op de begane grond van de fabriek zaten en Engelsen (Sergeant McCandlish’ sectie van 8 Platoon en een deel van het Brigade Defence Platoon) op de eerste verdieping.[33]

Ook de gevechten langs de Nieuwe Kade gingen de hele middag door. Sergeant Vernon “Vic” Lumb in prentbriefkaartenfabriek Jos Pé aan de Nieuwe Kade 2 herinnerde zich later van de gevechten:

“Bij het eerste ochtendlicht viel de vijandelijke infanterie [Euling’s SS-Panzer-Grenadier Bataillon] aan en kwam dichterbij, maar we dreven ze terug. De hele dag werden we met mortieren beschoten en daarna probeerde hun infanterie ons te omsingelen. Eén keer probeerde een SS officier nonchalant de omgeving te bekijken door zijn verrekijker, totdat hij werd neer gemaaid door mitrailleurvuur uit onze Bren.”[34]

Soldaat Stanislaus, de mitrailleurschutter van de sectie van sergeant Lumb, schoot een Duitse compagniescommandant dood in de vroege middag.[35] Dokus Kamevaar, een van de jongste kinderen van het gezin, zag na de gevechten het lichaam van de gesneuvelde Duitse officier liggen in de portiersloge van het slachthuis. Bij de schuur in hun achtertuin lag een gesneuvelde Duitse soldaat. Doordat een deel van 8 Platoon zich in Nieuwe Kade 2 had verschanst, was het huis van de familie Kamevaar midden in de frontlinie komen te liggen.

Rond 14.00 uur hadden soldaten van Kampfgruppe Knaust het pand eindelijk omsingeld.[36] De Duitsers brachten twee tanks in stelling en beschoten het gebouw om zo de Britten te dwingen zich over te geven. Sergeant Lumb vertelt:

“In de namiddag kwamen twee tanks naar voren en beschoten ons van ongeveer achttien meter afstand. Eerst met solide schoten om de muren te breken en daarna met brisantgranaten door de gaten heen. SS infanterie stormde naar binnen en we werden gevangen genomen. We waren verdaasd, verdoofd en sommigen van ons waren gewond.”[37]

Een lijkbleke SS-Unterscharführer stormde bewapend met een panzerfaust de Nieuwe Kade 2 binnen, gevolgd door een groep SS-ers die meteen het beschadigde gebouw doorzochten. Het was even na 16.00 uur in de middag. De Britse gevangenen, de meeste gewond en nog verdoofd door de inslag van de brisantgranaten, werden langs de Nieuwe Kade weggevoerd naar het oosten. Toen ze langs Nieuwe Kade 3 liepen viel het luitenant Infield op dat er iemand voor een bovenraam stond:

“Nadat ik gevangen was genomen zag ik een burger achter een raam staan. Misschien schoot hij vanuit het raam? Het was ergens boven in een gebouw.” [38]  

Luitenant Infield werd kort daarop gescheiden van zijn manschappen en overgebracht naar Offiziers Lager 79 bij Braunschweig, een krijgsgevangenkamp voor officieren. In het voorjaar van 1945 werd hij bevrijd door geallieerde troepen. Hoewel hij na de oorlog diverse malen naar Nederland is teruggekeerd om familieleden te bezoeken, is hij nooit meer in Arnhem geweest.

De dood van kapitein Kamevaar

Kapitein Hendrik Kamevaar was lid van de Orde Dienst (OD) en verzamelde gegevens over Duitse legeropstellingen en troepenbewegingen die door anderen naar Engeland werden gezonden. Hij werd in de middag van 18 september 1944 in zijn huis doodgeschoten door Duitse SS-soldaten. (Foto via Dokus Kamevaar. Collectie Freedom Trail Arnhem, Gelders Archief)

Het tijdstip waarop Gerald Infield een man voor het raam zag staan komt overeen met de herinneringen van de familie Kamevaar. Zij zaten die middag in de kelder terwijl om hun huis fel geschoten werd. Hendrik Kamevaar ging regelmatig naar boven om te kijken wat er gebeurde. Rond 16.15 uur ging hij nog een keer om wat spullen te halen voor het geval ze in de kelder zouden moeten blijven. Hij bleef echter lang weg. John Kamevaar besloot zijn vader tenslotte achterna te gaan om te kijken waar hij was:

 

“Vlak voor het donker werd werd er nog steeds volop geschoten. Vader wilde nog wat beddengoed naar beneden halen. Hij bleef lang weg en toen ben ik naar boven gegaan, om te zien waar hij bleef. Enkele SS-ers kwamen de trap af en riepen wat over terroristen en weggaan. Ik vond mijn vader in een slaapkamer met weggeschoten schedel dood op de grond liggen. (….)
Nog voordat de Duitsers alle inwoners uit Arnhem verdreven zag ik kans om, samen met een vriend, zijn lichaam met een bakfiets uit huis te halen en tijdelijk op het kerkhof Onder de Linden in een massagraf bij te zetten.”[39]

Waarschijnlijk is Hendrik Kamevaar niet alleen gezien door luitenant Infield, maar ook door de Duitse soldaten die de Britten hebben afgevoerd. Een Duitse officier was vermoedelijk niet ter plaatse, omdat Infield en Lumb zich geen Duitse officier kunnen herinneren op het moment dat ze werden gevangen genomen. De Duitse SS-ers die op de Nieuwe Kade vochten, hadden geen compagniescommandant meer en stonden waarschijnlijk niet onder het bevel van een officier. Degenen die kapitein Kamevaar uiteindelijk hebben doodgeschoten, hebben dus uit eigen beweging gehandeld.

Doordat de gevechten nog voortduurden, bleef het gezin Kamevaar in de kelder in afwachting van wat komen ging. John schreef later:

“In de nacht van maandag op dinsdag bleek er een gewonde Engelse militair in de verwarmingskelder achteraan in ons huis te zitten. We hebben hem wat te drinken gegeven en een uurtje later was hij verdwenen.
Dinsdagmorgen werden mijn moeder en haar 6 aanwezige kinderen (waaronder ik) het huis uitgestuurd. Met een kinderwagen met wat kleren en zo er in en de dienstfiets van mijn vader zijn we naar kennissen in de stad gegaan. Daar zijn we gebleven tot alle Arnhemmers de stad werden uitgestuurd. We zijn in Rheden terecht gekomen. Ik kwam daar bij de Rode kruis afdeling omdat ik een EHBO en gewondenverzorger diploma bezat.
In oktober heb ik mijn moeder en de kinderen per Rode Kruis auto naar haar familie in Driebergen gebracht. Ik ben in Rheden gebleven als gewondenverzorger en werd in het vroege voorjaar van 1945 aangesteld als sectiecommandant van de Stoottroepen, Gewest Veluwe.”[40]

Kort na de dood van Kamevaar ging het gerucht dat hij seinen zou hebben gegeven aan de Britse parachutisten. Hij werd op 18 september 1945 herbegraven op Begraafplaats Moscowa in Arnhem. Zijn grafsteen vermeld ‘Gevallen in The Battle of Arnhem 18 Sept. 1944’. Zijn naam staat ook op het monument voor de gevallen leden van de Koninklijk Nederlandse Motor Vereniging (KNMV) in het kantoor aan de Zijpendaalseweg 1.

Verzetsstrijder Bernard Vork

Opmerkelijk genoeg werd er op 18 september 1944 nog een Nederlander doodgeschoten, maar dan aan de zuidelijke kant van de brug. Bernard Vork was een Rotterdamse uitvoerder die in 1943 bij de AKU ging werken. In de Kleefsche Waard werd een nieuwe fabriek gebouwd en de 51-jarige Vork werd betrokken bij de bouw van dit complex. Al in Rotterdam was Vork lid geweest van het verzet en kort na zijn aanstelling bij de AKU kwam hij in contact met Ir. Piet Kruyff, en werd lid van diens LKP verzetsgroep.[41]

In de Graslaan 38 vond Vork door de week een onderkomen bij de familie Bambach. Dit huis ligt vrijwel tegenover Nieuwe Kade 3. Nog opvallender is dat nadat de familie Bambach in de ochtend van 18 september 1944 hun huis verliet, Vork besloot te blijven. Diezelfde morgen probeerde SS-Panzer-Aufklärungs Abteilung 9 vanaf de zuidelijke oprit tevergeefs de brug over te steken. Verklaringen van Arnhemse ooggetuigen na de oorlog toonden aan dat Bernard Vork die ochtend en vermoedelijk ook al in de nacht van 17 op 18 september lichtsignalen in morse heeft gegeven aan de Britse parachutisten op de noordelijke Rijnoever.[42] Het is ook mogelijk dat Vork naar Kamevaar heeft geseind.

Vermoedelijk heeft Vork ook geschoten op Duitse soldaten in Arnhem-Zuid. Buurtbewoners herinnerden zich na de oorlog dat Duitse militairen die dag op zoek waren naar ‘Partisanen’. Een van de getuigen, de Arnhemse betonwerker Gerard Wijnholts, zag hoe Bernard Vork door Duitse militairen uit de woning van de familie Bambach werd gehaald.[43] Vork schijnt door een NSB-er te zijn verraden en is volgens het politierapport dat na de oorlog werd opgemaakt, kort daarop bij de zuidelijke oprit gefusilleerd.[44]

Pas op 1 oktober 1944 werd Bernard Vork begraven door evacués uit Huissen onder dwang van enkele Duitse soldaten. Het graf is echter na de oorlog nooit meer teruggevonden, omdat de grond op die plek werd verplaatst door Canadese geniesoldaten die er in het voorjaar van 1945 een noodbrug aanlegden.[45]

Met dank aan:

-          Peter Dijkerman
-          Karl-Heinz Euling
-          Bram van Gent
-          Gerald Infield
-          Dokus Kamevaar|
-          John Kamevaar
-          Wim van Lunteren sr.
-          Sir Wilfred Robinson Bt.
-          Robert Sigmond, Airborne Museum Oosterbeek
-          Martin Sugarman
-          Hans Timmerman, de Gelderland Bibliotheek

Naar boven


[1] Verslag van Wim van Lunteren sr. uit 2004 naar aanleiding van de tentoonstelling ‘Gedolven Helden’ in het Gemeente Museum. Gemeentearchivaris Piet van Iddekinge noemt in zijn boek Arnhem 44/45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer (Arnhem, 1981) op bladzijde 30 dat er twaalf koeien hingen van de Wehrmacht en dat Majoewsky “met een paard-en-wagen deze kostelijke buit in de wacht” wist te slepen. Dat is niet juist. Het waren er zeven en Majoewsky regelde alleen het vervoer. Hij is die dag niet bij het slachthuis geweest.

[2] Verslag van Wim van Lunteren sr.

[3] Len Wright, Draft Account 3rd Parachute Battalion, “C” Company (1998), 4. Het is niet bekend of er een definitieve versie van dit verslag bestaat. Wright schreef het op basis van gedetailleerd onderzoek naar de krijgsverrichtingen van zijn compagnie.

[4] Major R.P.C. Lewis, Report on the Action by Company, 3rd Battalion, The Parachute Regiment at Arnhem, (1945). www.pegasusarchive.org/arnhem/war_3rdBatt.htm

[5] Wright, Draft Account 3rd Parachute Battalion, 5-8.

[6] Ibid, 8

[7] Transcriptie van een interview van Klaas Schaap (Arnhems gemeentearchivaris) met Bep Bolte, 29. Dit interview vond plaats op 3 juni 1965. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 150.

[8] Wright, Draft Account 3rd Parachute Battalion, 8.

[9] Telefoongesprek Frank van Lunteren met Gerald Infield, 2 oktober 2006.

[10] Wright, Draft Account 3rd Parachute Battalion, 9.

[11] Lewis, Report on the Action by Company, 3rd Battalion, The Parachute Regiment at Arnhem, 1945. www.pegasusarchive.org/arnhem/war_3rdBatt.htm

[12] Interview adjunct-gemeentearchivaris P.R.A. van Iddekinge met oud-inspecteur J.D. van Maris te Zandvoort, 16 februari 1977. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 26.

[13] Wright, Draft Account 3rd Parachute Battalion, 9.

[14] Questionnaire Major R. “Pongo” Lewis van 8 januari 1968, Cornelius Ryan Collection, Vernon R. Aldan Library, Ohio. De geraadpleegde kopie van dit document ligt in het Airborne Museum in Oosterbeek.

[15] Wright, Draft Account 3rd Parachute Battalion, 11.

[16] Deze vrachtwagen maakte deel uit van een Duits konvooi dat ongeveer een uur eerder door A Company van het 2nd Parachute Battalion was beschoten. De vrachtwagens bevatten munitie dat explodeerde. Eerder was ook al een klein gebouw met opgeslagen munitie per ongeluk in brand geschoten door een Brits anti-tankkanon. Dit gebouw explodeerde en zette de verf van brug in brand. Martin Middlebrook, Arnhem 1944: The Airborne Battle (London 1994) 158.

[17] Brief John J. Kamevaar aan Frank van Lunteren, januari 2007.

[18] Brief John J. Kamevaar aan Peter Dijkerman, 9 mei 2005.

[19] Brief Karl-Heinz Euling aan Frank van Lunteren, 5 mei 2007.

[20] Ibidem.

[21] Brief Sir Wilfred Robinson Bt. aan Frank van Lunteren, 25 april 2007.

[22] Interview Cornelius Ryan met Hans-Peter Knaust, 2 november 1967. Cornelius Ryan Archives, Ohio.

[23] Marcel Zwarts, German Armoured Units at Arnhem, September 1944 (Hong Kong 2001) 50.

[24] Interview Cornelius Ryan met Hans-Peter Knaust, 2 november 1967. Gelders Archief, Collectie Vroemen, Map Frundsberg 10 SS Pz. Div, R.A.1. Het origineel is afkomstig van de Cornelius Ryan Collection, Vernon R. Aldan Library, Ohio.

[25] De Britse militaire historicus Robert J. Kershaw schatte het aantal op 200-300 man. Kershaw, 339.

[26] Heinz Harmel, Einsatz der 10.SS-Pz.Div.”Frundsberg” im holländischen Raum. Gelders Archief, Collectie Vroemen, Map Frundsberg 10 SS Pz. Div, R.A.1. Het origineel is afkomstig van de Cornelius Ryan Collection, Vernon R. Aldan Library, Ohio.

[27] Interview Cornelius Ryan met Hans-Peter Knaust, 2 november 1967. Het origineel is afkomstig van de Cornelius Ryan Collection, Vernon R. Aldan Library, Ohio.

[28] Telefoongesprek Frank van Lunteren met John Kamevaar, 24 april 2007.

[29] Brief John J. Kamevaar aan Frank van Lunteren, januari 2007.

[30] Brief John J. Kamevaar aan Peter Dijkerman, 9 mei 2005.

[31] Brief John J. Kamevaar aan Frank van Lunteren, januari 2007.

[32] André Horlings, Arnhem Spookstad (Rijswijk 1995) 41-42.

[33] Interview Cornelius Ryan met Hans-Peter Knaust, 2 november 1967. Cornelius Ryan Archives, Ohio.

[34] John Waddy, A Tour of the Arnhem Battlefields (Londen 1999) 70.

[35] Telefoongesprek met Sergeant Vernon Lumb door een medewerker van Cornelius Ryan, 8 januari 1968. Cornelius Ryan Collection, Vernon R. Aldan Library, Ohio. De geraadpleegde kopie van dit document ligt in het Airborne Museum in Oosterbeek.

[36] Ibidem.

[37] Waddy, A Tour of the Arnhem Battlefields 70.

[38] Telefoongesprek Frank van Lunteren met Gerald Infield, maandag 2 oktober 2006.

[39] Horlings, Arnhem Spookstad, 42.

[40] Brief John J. Kamevaar aan Frank van Lunteren, januari 2007.

[41] Wil Kester, ‘Duitsland? Ik kan er nog steeds niet naar toe’, De Gelderlander 10 september 1994.

[42] C.A. Dekkers en L.P.J. Vroemen, De Zwarte Herfst; Arnhem 1944; de worsteling van mensen in oorlogstijd; authentiek relaas van ooggetuigen (Arnhem 1986) 243-244.

[43] Dekkers en Vroemen, De Zwarte Herfst, 244.

[44] Wil Kester, ‘Duitsland? Ik kan er nog steeds niet naar toe’, De Gelderlander 10 september 1994.

[45] Dekkers en Vroemen, De Zwarte Herfst, 244.

Taal/LanguageNLEN